Overslaan en naar de inhoud gaan

Tronkenbij Heriades truncorum

Foto: Sandra Lamberts

Indeling

Megachilinae [subfamilie]
Heriades [genus] (1/1)
truncorum [soort]

Eén generatie. Overwintert als prepop in de cocon (Westrich 1989b). Bouwt lineaire nesten, bij voorkeur in gangen van 3 mm doorsnede. De broedcellen zijn gescheiden door dunne tussenschotten van hars. Bij kieren of scheuren in de nestgang worden ook de zijwanden van de broedcel met hars bekleed. De hars is afkomstig van naaldbomen (Maciel de A. Correia 1977) of wordt misschien ook bij boomwonden of van de kleverige schubben van knoppen verzameld. Het bevoorraden van één broedcel kost gemiddeld 34 verzamel- vluchten en het nest bestaat uit 1-10 broedcellen. Elk vrouwtje legt in de loop van haar leven (gemiddeld vier weken) 2-16 eieren. Voor de bouw van de dikke sluitprop gebruikt ze 30-45 harsklompjes en hierin worden vaak steentjes, zandkorrels, plantendelen of houtvezels verwerkt. Vaak bevindt zich een lege cel tussen de sluitprop en de laatste broedcel, mogelijk om parasitering van de laatste

broedcellen tegen te gaan. Oude nestgangen worden vaak hergebruikt nadat ze eerst flink zijn schoongepoetst. Het ei wordt centraal op de voorkant van de pollenvoorraad in de broedcel gelegd. De incubatietijd bij 22°C is 3-4 dagen. Binnen 20-25 dagen verteert de larve, die vier stadia doorloopt, de voedselvoorraad. Op dag 5-7 na de derde vervelling scheidt de larve oranjegele fecaliën uit. Kort voordat de cocon gesponnen wordt produceert de larve een tweede type uitscheiding, die caramelkleurig, donkerbruin of grauw van kleur is. De tijd van ei tot cocon duurt ongeveer 45 dagen. Bij 22°C duurt het stadium van de witte pop 3-12 dagen. Daarna volgt een fase van 5-11 dagen waarbij de ogen van de pop gekleurd zijn en die gaat over in de fase van de donkere pop, die nog eens 5-8 dagen duurt. De periode tussen het uitkomen van de volwassen tronkenbij en het uitvliegen duurt 1-5 dagen (Maciel de A. Correia 1976). Uit de eerste broedcellen worden over het algemeen vrouwtjes geboren, uit de laatst gebouwde broedcellen de mannetjes. Oligolectisch, gespecialiseerd op composieten, met name van de subfamilie Asteroideae. Stuifmeel van de subfamilies cichorioideae en carduoideae wordt relatief weinig gevonden (Westrich 1989b). Dit komt overeen met de waarnemingen in Nederland, waar de vrouwtjes vooral op boeren- wormkruid, gele kamille, jacobskruiskruid, margriet en de tuinplant meisjesogen worden aangetroffen. per broedcel werden vaak meerdere pollensoorten aangetroffen.

Broedparasieten zijn Stelis breviuscula en de knotswesp Sapygina decemguttata. Wellicht komen ook andere broed- parasieten in aanmerking, zoals de goudwespen Chrysis ignita en C. angustula (Brechtel 1986, Le Goff 2003, Westrich 1983). Tevens werden uit de nesten gekweekt: een bronswesp van het genus Melittobia, een wolzwever van het genus Anthrax en mierkevers van het genus Trichodes (Maciel de A. Correia 1976). Voor meer informatie over de biologie, zie Grandi (1934) en Maciel de A. Correia (1976, 1980, 1981a, 1981b).

 

Bron

Auteur(s)

Peeters, Th.M.J.

Publicatie