Overslaan en naar de inhoud gaan

Gladde mierwesp Methocha articulata

Foto: Albert Jacobs

Indeling

Tiphiidae [familie]
Methocha [genus] (1/1)
articulata [soort]

Soort van droge, kale zandgrond, zoals zandgroeven en stuifduinen. Gevonden van eind mei tot in september. De waarnemingen in maart, april en oktober moeten nog gecontroleerd worden.

De soort parasiteert op volwassen larven van zandloopkevers (Cicindela), die leven in verticale gangetjes in het zand, waar ze wachten op voorbij lopende prooien. Het vrouwtje van de gladde mierwesp overvalt de veel grotere keverlarve en verlamt deze met een steek in de keel. Hierdoor verlaat de larve soms de gang, waarna de wesp hem er weer in sleept. Vervolgens legt ze een ei op de larve en vult de gang geheel met zand. De paring zou in de lucht plaatsvinden: de gevleugelde mannetjes grijpen de vrouwtjes en nemen deze vliegend mee. Waarschijnlijk draagt deze wijze van voortplanten in belangrijke mate bij aan de verspreiding, omdat de vrouwtjes lopend slechts beperkte afstanden af kunnen leggen. Trautmann (1920) meldt meer dan 100 zwermende mannetjes op de plek van een uit de grond kruipend vrouwtje, gevolgd door een copula op de grond. De interessante levenswijze is in ons land uitvoerig beschreven door Bouwman (1908, 1909), die na Adlerz (1903a) pionierswerk aan deze soort verrichtte. Ook Adlerz (1905b), Champion (1915), Champion & Champion (1914), Main (1931) en Pagden (1926) bestudeerden de biologie van deze soort.

 

Bron

Auteur(s)

Peeters, Th.M.J.

Publicatie