Overslaan en naar de inhoud gaan

Metselspinnendoder Auplopus carbonarius

Foto: Martien van den Heuvel

Indeling

Pompilidae [familie]
Auplopus [genus] (1/1)

Leeft in uiteenlopende biotopen, van droge en warme tot vochtig-koele: bosranden, groeven, op muren en in boomgaarden (Schmid-Egger & Wolf 1992), in Nederland ook in stadstuinen en parken. Vliegt van begin mei tot begin oktober in twee generaties.

Het vrouwtje maakt een nestcel voordat ze een prooi vangt (Richards & Hamm 1939). Daartoe verzamelt ze klei met de haarborstel op de onderlip. Het nest maakt ze bijvoorbeeld op stenen, in voegen van muren, schuttingen, rotsen of mergelwanden (Benno 1967). Er zijn ook nesten bekend in slakkenhuisjes, Cynips-gallen en verlaten nesten van andere aculeaten. Het vrouwtje plakt kleine kleistaafjes vermengd met speeksel aan elkaar en maakt de binnenkant van de cel glad met behulp van haar achterlijfspunt. De tonvormige cel is acht tot tien mm hoog en vier tot vijf mm breed. Als het vrouwtje een spin verlamd heeft, bijt ze vaak enkele tot alle poten af. Ze sleept de prooi aan de spintepels naar de cel. Kleine prooien vervoert ze vliegend.

Na de eileg sluit ze de cel en begint aan de bouw van een nieuwe. Een nest kan uit tot wel 34 cellen bestaan. Soms vormen enkele vrouwtjes een schijnkolonie. Als prooidieren zijn soorten gemeld van de spinnenfamilies Agelenidae, Anyphaenidae, Clubionidae, Gnaphosidae, Lycosidae, Salticidae, Segestriidae, Tetragnathidae, Thomisidae en de niet inheemse familie Zoropsidae (Berland 1925, Koomen & Peeters 1993). In Nederland zijn Haplodrassus sp. (Gnaphosidae), Clubiona brevipes (Clubionidae) en Meta sp. (Tetragnathidae) vastgesteld (Koomen & Peeters 1993b, Walrecht 1936a). De soort wordt nooit op bloemen gezien. Er zijn aan­wijzingen dat het vrouwtje leeft van het wondvocht dat vrijkomt als zij de poten van haar prooien afbijt (Evans 1953, Ferton in Richards & Hamm 1939). Dit wordt ‘malaxatie’ genoemd (Evans & Eberhard 1973). De mannetjes, en misschien ook de vrouwtjes, voeden zich met honingdauw om aan suikers te komen. Larven worden geparasiteerd door sluipwespen (Ichneumonidae), een Pteromalus-soort (Chalcididae) en de goudwesp Trichrysis cyanea (Oehlke & Wolf 1987, Theunert 1997).

Bron

Auteur(s)

Lefeber, V., Nieuwenhuijsen, H.

Publicatie