Overslaan en naar de inhoud gaan

Anoplius nigerrimus

Foto: Tim Faasen

Indeling

Pompilidae [familie]
Anoplius [genus] (6/6)
nigerrimus [soort]

Leeft zowel in warme, droge als koele, natte biotopen, in Nederland met name in groeven en op heiden. Vliegt in twee generaties van mei tot en met oktober. Nestelt in Zuid-Limburg veel in steile leemwanden, maar is ook gekweekt uit een verlaten huis van de wijngaardslak Helix pomatia (pers. obs. V. Lefeber). Nestelt ook in plantenstengels en gaten in hout (Oehlke & Wolf 1987). Het nest in de grond is 20 à 30 mm lang (soms 150 mm) (Gros 1983b). Er zijn twee cocons gevonden onder de losse schors van een omgevallen, dode dennenboom (pers. med. B. van Aartsen). Prooidieren komen uit de volgende families: Gnaphosiadae, Lycosidae en Pisauridae (Finch 1995). Het vrouwtje vervoert de prooi achterwaarts lopend. Zij houdt de spin aan de basis van een poot vast, soms aan de spintepels en een enkele keer aan de gifkaken. De spin is twee tot drie uur verlamd (Gros 1983b). Als kleptoparasieten zijn bekend de spinnendoders Ceropales maculata en Evagetes crassicornis. Een sluipwesp uit de familie Pteromalidae parasiteert waarschijnlijk op de larven (Oehlke & Wolf 1987, Schmid-Egger & Wolf 1992).

Bron

Auteur(s)

Lefeber, V., Nieuwenhuijsen, H.

Publicatie