Overslaan en naar de inhoud gaan

Grijze spinnendoder Pompilus cinereus

Foto: Henk van Woerden

Indeling

Pompilidae [familie]
Pompilus [genus] (1/1)
cinereus [soort]

Komt overal voor waar open zand is, soms in de buurt van water. Vliegt van eind mei tot en met half oktober in twee generaties. Er worden veel meer vrouwtjes dan mannetjes verzameld.

Het vrouwtje gaat op jacht voordat zij een nest maakt (Day 1981, Finch 1995). Grote prooien sleept ze achterwaarts, kleine voorwaarts. Voordat ze de 6-15 cm diepe nestgang graaft, wordt de prooi onder een dun laagje zand verstopt. Het ei wordt op het achterlijf van de prooi gelegd. Het wijfje vult de gang met zand en stampt dat met het achterlijf aan. De spin komt na enige tijd weer bij en bekleedt de cel met spinsel. Day (1981) veronderstelt dat door dit spinsel de soort in los zand kan nestelen en het nest tegen wateroverlast kan. Na drie dagen komt de larve uit. De soort kan in kolonies nestelen (Oehlke & Wolf 1987, Richards & Hamm 1939, Schmid-Egger & Wolf 1992). Zowel de mannetjes als de vrouwtjes graven slaapnesten. Soms slapen vrouwtjes in een onvolledige nestgang, samen met enkele mannetjes.

Als prooidieren worden vooral wolfspinnen (Lycosidae) gevangen, maar ook soorten uit de families Araneidae, Aty­pidae, Clubionidae, Gnaphosidae, Pisauridae, Salticidae, Thomi­sidae, Zoridae en de niet inheemse familie Zoropsidae (Berland 1925, Day 1981, Finch 1995, Koomen & Peeters 1993b). In Nederland zijn de volgende prooisoorten aangetroffen: Arctosa perita (Lycosidae), juveniele Lycosidae, juveniele Atypus-soorten (Atypidae), Aelurillus v-insignitus (Salticidae) en Haplodrassus dalmatensis (Gnaphosidae) (Bouwman 1915b, Chrysanthus 1947, Koomen & Peeters 1993a, b, Lefeber & van Ooijen 1988). De soort wordt geparasiteerd door de kleptoparasitaire spinnen­doder Ceropales maculata (Bouwman 1915b).

Bron

Auteur(s)

Lefeber, V., Nieuwenhuijsen, H.

Publicatie