Overslaan en naar de inhoud gaan

Gele weidemier Lasius flavus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Formicinae [subfamilie]
Lasius [genus] (20/18)
flavus [soort]

Indeling

Formicinae [subfamilie]
Lasius [genus] (20/18)
flavus [soort]

Komt voor in duinen en extensief begraasde graslanden, alsmede in heideterrein en lichte bossen. Bruidsvluchten van juni tot in oktober. Nesten in de grond en in graszoden. In hoge grasvegetaties worden zandkoepels opgeworpen. De koningin en het broed worden ook wel eens onder oude koeieplakken gevonden. Ook zijn nestjes in molshopen gevonden. In door konijnen begraasde duinvalleien kunnen de dichtheden enorm zijn. Afzonderlijke nesten zijn dan nauwelijks herkenbaar: de graszode bestaat over een groot oppervlak uit flavus-nesten (Boomsma & Van Loon 1982). Op plaatsen met slechte afwatering kunnen hoge nestheuvels gemaakt worden (Waloff & Blackith 1962), vaak begroeid met wilde tijm (Thymus sp.). Hoge nestheuvels komen ook voor op kwelders waar tijdens hoge vloeden de nesten tijdelijk geheel of gedeeltelijk onder zout water kunnen staan (Nielsen 1986a, b, Nielsen et al. 1976). Hier zijn ze vaak begroeid met engels gras (Armeria maritima). Nesten die door het ontbreken van boven­grondse nestopeningen zijn afgesloten houden veel lucht vast waardoor de mieren een dergelijke overstroming kunnen overleven (Boomsma & Isaaks 1982). Het voedsel wordt vooral geleverd door ondergrondse wortel­luizen op graswortels. Deze worden gehouden ten behoeve van de honingdauw maar worden soms ook opgegeten (Pontin 1958, 1978). Soms worden andere ondergronds of in de graszode voor­komende insecten, zoals springstaarten (Collembola) gegeten. Veelgevonden mierengasten zijn onder andere de knots­kevertjes Claviger testaceus en C. longicornis, en de sprietpootmijt Antennophorus pubescens.

 

Bron

Auteur(s)

Loon, A.J. van

Publicatie