Overslaan en naar de inhoud gaan

Glanzende houtmier Lasius fuliginosus

Foto: Hans Jonkman

Indeling

Formicinae [subfamilie]
Lasius [genus] (20/18)

Bosbewoner die ook in kleine geïsoleerde bosjes voorkomt en dus niet afhankelijk is van grote bosoppervlakken. Maakt van afgeknaagd hout en speeksel grote kartonnesten die zich vrijwel steeds in of onder de wortelstronken van dode of levende bomen bevinden (Walrecht 1961). Het volk is mono- of oligogyn en kan zeer veel werksters bevatten. Geslachtelijke dieren van mei tot in oktober aanwezig, als een nest zich bij of onder een huis bevindt kan dat al vanaf maart. Een echte bruidsvlucht zoals bij L. niger komt zelden voor; paring kan al in of vlakbij het nest plaatsvinden. Jonge bevruchte koninginnen worden soms in het moedernest opgeno­men (Collingwood 1979), maar nieuwe nesten kunnen alleen worden gesticht met behulp van soorten van het subgenus Chthonola­sius; met enig geluk zijn nesten te vinden waar beide soorten nog samen in voorkomen (Stärcke 1925b). De voornaamste voedselbron zijn blad- en schildluizen in bomen en struiken; deze worden zowel ‘gemolken’ als gegeten. 

Bron

Auteur(s)

Loon, A.J. van

Publicatie