Overslaan en naar de inhoud gaan

Boommier Lasius brunneus

Foto: Tim Faasen

Indeling

Formicinae [subfamilie]
Lasius [genus] (20/18)
brunneus [soort]

Komt voornamelijk voor in loofbossen (eiken- en beukenbossen). Bruidsvluchten zijn doorgaans wat vroeger dan bij andere Lasius-soorten, van begin juni tot juli, soms al in mei. Nesten worden gemaakt in het hout en onder schors van dode of levende bomen, meestal in de ondergrondse delen maar soms tot in de grotere takken. In de zomer bevinden zich vaak ‘dependance-nesten’ aan de voet van een naburige boom. Lokaal kunnen nesten in balken en vloeren van huizen worden gevonden (Kane & Tyler 1959, Van Rossem et al. 1964, Seifert 1992a, 1993a, 1996). Werksters worden het makkelijkst ontdekt door de foerageer­straten op bomen van en naar bladluis­kolonies in de kroon. Bij verstoring trekken de werksters zich terug in het nest en op de boomstammen verbergen ze zich in de spleten van de boomschors. De volken zijn doorgaans monogyn. Collingwood (1979) vermeldt echter dat koninginnen na de bruidsvlucht soms in het moedernest worden opgenomen. 

Bron

Auteur(s)

Loon, A.J. van

Publicatie