Overslaan en naar de inhoud gaan

Behaarde bosmier Formica rufa

Foto: Dick Belgers

Indeling

Formicinae [subfamilie]
Formica [genus] (13/12)
rufa [soort]

Herkenning

De Midden-, West- en Noord-Europese mieren (werksters en koninginnen) zijn het beste te determineren met Seifert (1996 2007). Een bruikbare Nederlandstalige tabel is die van Schoeters & Vankerkhoven (2002). Formica rufa vormt samen met F. polyctena en F. pratensis een groep van drie algemene Nederlandse soorten rode bosmieren (subgenus Formica sensu stricto). De rode bosmieren zijn de bouwers van de bekende grote koepelnesten in open bossen en bosranden. Formica pratensis is vrij gemakkelijk te onderscheiden van de beide andere soorten, zowel qua uiterlijk als qua nestbouw (zie aldaar). Formica polyctena en F. rufa lijken echter vrij veel op elkaar en er komen op allerlei plaatsen in Europa en Nederland populaties voor die intermediair zijn in morfologie en sociale structuur; deze populaties worden doorgaans als hybride populaties beschouwd (Seifert 2007). Mogelijk zijn beide soorten toch conspecifiek en zijn beide taxa de uitersten van één, zeer variabele soort. Het overgrote deel van de in het veld aangetroffen dieren betreffen werksters De hier genoemde kenmerken gelden dan ook alleen voor de werksters; de koninginnen en mannetjes blijven buiten beschouwing. De werksters van F. rufa zijn vrij grote mieren (4-9 mm lang), tweekleurig, met een deels roodbruine en deels donkere bovenkop, donker achterlijf en daartussen een roodbruin borststuk en schub. De kop heeft (recht van voren gezien) een rechte achterrand die niet opvallend dicht afstaand behaard is. Het voorste deel van het borststuk is op de bovenzijde matig afstaand behaard.

Te verwisselen met

Formica rufa is vooral te verwarren met F. polyctena en in mindere mate met F. pratensis. De laatste is makkelijk te herkennen aan de sterk behaarde achterrand van de kop en het dicht en regelmatig afstaand behaarde borststuk; bovendien heeft deze bijna altijd een opvallende en duidelijk begrensde zwarte vlek bovenop het borststuk. Het belangrijkste verschil met F. polyctena is de beharing op de bovenzijde van het borststuk: F. rufa heeft duidelijk meer afstaande beharing. In de meeste gevallen zijn de werksters met deze kenmerken te onderscheiden, maar de hierboven genoemde intermediaire populaties dus niet. Deze zullen in veel gevallen onbenoemd blijven of kunnen als hybride worden genoteerd. 

Behalve met de andere bosmieren is verwarring mogelijk met eveneens rood-zwart gekleurde Formicasoorten van de subgenera Raptiformica (F. sanguinea), Coptoformica (F. exsecta en F. pressilabris) en Serviformica (F. cunicularia, F. lusatica en F. rufibarbis). Deze zijn echter als volgt makkelijk uit te sluiten. 

Formica sanguinea (bloedrode roofmier): het kleurpatroon is vergelijkbaar met bosmieren en de werksters zijn even groot als die van bosmieren. Echter, de voorrand van de clypeus heeft in het midden een duidelijke inbochting. Deze soort maakt nooit hoge koepelnesten, maar grondnesten, vaak groot, grillig van oppervlakte en vaak onder boomstammen, stukken hout of andere stevige structuren. 

Formica exsecta (gewone satermier) en F. pressilabris (deuklipsatermier): de werksters van deze twee op elkaar lijkende soorten van het subgenus Coptoformica zijn iets kleiner dan bosmierwerksters, en makkelijk te herkennen aan de duidelijk uitgeholde achterrand van de kop, waardoor de kop aan beide zijden boven ieder facetoog een afgeronde hoekpunt heeft; dit geeft een zeer kenmerkende kopvorm. Beide soorten maken ook koepelnesten, maar deze zijn veel kleiner dan van de rode bosmieren en gemaakt van veel fijner gefragmenteerd plantaardig materiaal. Beide soorten zijn overigens vrij zeldzaam. 

Formica cunicularia (bruine baardmier), F. lusatica (duinbaardmier) en F. rufibarbis (rode baardmier): behalve aan lastige kenmerken als de slankere en langere sprietschaften en de langere, slankere kaaktasters, zijn deze drie min of meer rood-zwarte mieren het makkelijkst van rode bosmieren te onderscheiden door hun nesten: nooit koepelnesten maar altijd nesten in de grond.

 

Bron

Auteur(s)

Loon, A.J. van

Publicatie