Overslaan en naar de inhoud gaan

Stronkmier Formica truncorum

Foto: Theodoor Heijerman

Indeling

Formicinae [subfamilie]
Formica [genus] (13/12)
truncorum [soort]

De nesten bij Ommen bevinden zich in open, met heide en grassen begroeid terrein, bijvoorbeeld open plekken in bossen en bosranden. De meeste nesten liggen op een zuidhelling en zijn bijna steeds tegen een stronk of stam aangebouwd. Buiten Nederland zijn nesten ook onder en langs grote stenen aangetroffen en ook in vochtige heide op hoogveen. De stronkmier bouwt niet zulke mooie koepels als andere rode-bosmier­soorten. Mede hierdoor kan de nesttemperatuur minder hoog worden gehouden, waardoor de ontwikkeling van het broed minder snel verloopt dan bij bijvoorbeeld F. rufa en F. polyctena. Bruidsvluchten vinden derhalve niet in het voorjaar maar pas in juli en augustus plaats (Rosengren et al. 1985, Mabelis 1987c), in Nederland in de ochtend (Soesbergen 1993). De nesten zijn mono- of oligogyn. In het laatste geval ontwikkelt zich meestal een polydome kolonie (zie familieoverzicht). In Finland varieert het aantal werksters van 3000 tot 70.000 in een zeer groot nest; het aantal koninginnen per nest bedroeg 1-15 (Rosengren et al. 1985, 1986). In Ommen zijn de nesten waarschijnlijk monogyn, wat waarschijnlijk te maken heeft met het feit dat de Nederlandse populaties aan de rand van het verspreidings­gebied liggen (Mabelis 1987c). Zoals de meeste rode bosmieren, is ook F. truncorum in hoge mate afhankelijk van bladluizen­kolonies in naburige bomen. 

Bron

Auteur(s)

Loon, A.J. van

Publicatie