Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Bloedrode roofmier Formica sanguinea

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Formicinae [subfamilie]
Formica [genus] (13/12)
sanguinea [soort]

Komt vooral voor op heiden, langs bosranden en langs wegen en paden. Bruidsvluchten van juni tot augustus. Nesten worden gebouwd van takjes, vaak tegen een stronk, of aangelegd in de grond; ze kunnen vrij groot worden en tot diep in de bodem reiken. Deze mier is een slavenhouder van soorten van het subgenus Serviformica. Op warme dagen, in de namiddag, gaan de werksters op strooptocht uit om werksterpoppen uit de nesten van de slaafsoort te roven (Heimans 1940, Seifert 1996, Stärcke 1925a). De slaven dienen vooral voor de verzorging van het broed. Foerageren doen de sanguinea-werksters grotendeels zelf. Het houden van slaven is echter facultatief (in tegenstelling tot Polyergus rufescens): ook pure sanguinea-nesten komen voor, vooral in terreinen waar F. sanguinea sterk domineert. Tijdens de bruidsvluchten wordt niet alleen in de lucht maar ook al op de grond in de directe omgeving van het nest gepaard. Ook komt nestsplitsing voor. Voor het stichten van een geheel nieuw nest is echter de hulp van een slaafsoort nodig. Daartoe dringt de bevruchte koningin een nest binnen en laat zich adopteren door de slaafsoort. De moederkoningin van het slaafsoortnest wordt meteen of op termijn gedood en de sanguinea-koningin ontfermt zich over een aantal werksterpoppen. 

Bron

Auteur(s)

Loon, A.J. van

Publicatie