Overslaan en naar de inhoud gaan

Zwarte zaadmier Tetramorium caespitum

Foto: Dick Belgers

Indeling

Myrmicinae [subfamilie]
Tetramorium [genus] (8/7)
caespitum [soort]

Warmteminnende soort. Komt voor in de duinen, heideterreinen, schrale graslanden, kalkgraslanden en open bos­randen. Bruidsvluchten in juni en juli, meestal in de ochtend. Nesten in de bodem onder gras- of heidepollen, onder stenen of in vermolmd hout. Een groot, oud nest is over een groot oppervlak verspreid en kan zeer veel werksters bevatten, soms wel 12.000 of meer. Werksters jagen op insecten en andere ongewervelden, verzamelen dode insecten en oogsten honingdauw. Ook zaden van grassen en kruiden worden verzameld. Zeer agressief en vasthoudend tegenover andere, vaak veel grotere mierensoorten: eenmaal vastgebeten aan een poot of spriet laat een werkster niet gauw los en kan zich dan een heel eind laten meeslepen. De soort is monogyn (Van Boven & Mabelis 1986, Seifert 1996). Tetramorium-nesten kunnen een tweetal parasitaire mierensoorten herber­gen: Strongylognathus testaceus, waarvan broed en werksters in het nest kunnen worden aangetroffen, en Anergates atratulus, een werksterloze soort. Deze komen ook in Nederland voor. 

Bron

Auteur(s)

Loon, A.J. van

Publicatie