Overslaan en naar de inhoud gaan

Lonchodryinus ruficornis

Indeling

Lonchodryinus [genus]
(1 soorten in totaal / 1 gevestigd)
ruficornis [soort] (3/3)

Deze algemene soort kent vele verschillende vormen. Lichaam van typische vorm glanzend zwart, fijn en verspreid bestippeld, met gedeeltelijk verdonkerde poten en antennen. Antennen en vleugeladering van vrouwtjes bij enkele vormen zwartbruin en bij andere heldergeel. Een rode clypeus komt voor bij een reuzenvorm (basalis) en een dwergvorm (foveatus). Bij een andere dwergvorm is zelfs het hele voorhoofd geel (frontalis). Vleugels gewoonlijk volledig. Mannetjes donker met zeer lange antenneleden. Parameren lancetvormig en basaal zonder vliezig aanhangsel. Eigenschappen die vrouwtjes van lokale vormen vertonen zijn meestal ook bij de mannetjes in hetzelfde gebied terug te vinden. Lengte: mannetje 1,5-4,0 mm, vrouwtje 1,5-5,0 mm.

De soort is beschreven onder zes verschillende genera: Anteon, Chelogynus, Dryinus, Lonchodryinus, Mystrophorus en Prenanteon. Kortvleugelige exemplaren die sporadisch in de noordelijke helft van Europa worden gevangen, zijn lange tijd opgevat als een aparte soort, L. subapterus. Inmiddels heeft Olmi (1994) ze als variatie bij L. ruficornis ingedeeld. In Perkins (1976) wordt L. ruficornis onder het genus Prenanteon als zes verschillende soorten beschreven.

De verschillen tussen exemplaren van verschillende populaties zijn zeer groot. Het is daarom aannemelijk dat er sprake is van op zijn minst een aantal ondersoorten. In vochtige heideterreinen zit bijvoorbeeld tussen pijpenstrootje vaak een uiterst slanke vorm (procericornis) en in de Midden-Europese naaldbossen komt bijna uitsluitend een forse vorm met lange notauli en gele clypeus voor (basalis). Daarbij zijn in de mannelijke genitaliën bepaalde verschillen te vinden die lijken te corresponderen met kenmerken van de vrouwtjes uit dezelfde populatie. 

Bron

Auteur(s)

Rond, J. de

Publicatie