Overslaan en naar de inhoud gaan

Bijenwolf Philanthus triangulum

Foto: Dick Belgers

Indeling

Crabronidae [familie]
Philanthus [genus] (1/1)
triangulum [soort]

Leeft vooral op warme zandgronden, maar ook wel in klei- en lössgebieden, ook in stedelijk gebied, evenals in de zo­genaamde steenbergen van kolenmijnen. Vliegtijd van eind mei tot begin oktober. Nest met tot wel één meter lange hoofdgang; deze loopt grotendeels horizontaal en eindigt na scherpe bocht in drie tot 34 cellen. Nesten in grote kolonies altijd op minstens 10 cm afstand van elkaar. Als prooien voor de larven worden honingbijen Apis mellifera gevangen, drie tot zes per cel. Bij uitzondering worden solitaire bijen gevangen van de genera Andrena, Dasypoda, Halictus, Lasioglossum en Megachile. Cocons bestaan uit geel, zijdeachtig weefsel in een typische vaasvorm. Als parasieten zijn bekend de goudwesp Hedychrum rutilans, vliegen van de genera Metopia en Sphecapata (Sarcophagidae) en blaaskopvliegen van het genus Conops (Conopidae). Naar het gedrag en het oriëntatievermogen van P. triangulum is in Nederland veel onderzoek gedaan (Van Beusekom 1946, Simon Thomas & Veenendaal 1978, Tinbergen 1932, Tinbergen & Kruyt 1938). 

Bron

Auteur(s)

Lefeber, V., Klein, W.F.

Publicatie