Overslaan en naar de inhoud gaan

Kleine parelmoervlinder Issoria lathonia

Foto: Dick Belgers

Indeling

Heliconiinae [subfamilie]
Issoria [genus] (1/1)
lathonia [soort]

Levenscyclus en gedrag

De waardplanten van de kleine parelmoervlinder zijn vooral duinviooltje, akkerviooltje en driekleurig viooltje, soms worden ook andere viooltjes gebruikt. Het vrouwtje zet de eitjes afzonderlijk af, bij voorkeur laag bij de grond. Geschikte violen groeien op droge, zonnige plaatsen in een open vegetatie. Op droge plaatsen wordt het eitje vooral aan de onderzijde van een blad afgezet, onder vochtige omstandigheden vaak op lage planten, dode grassprieten of tussen strooisel op de grond dicht bij een viooltje. De rups zont veel, op een warm plekje in het zand, op stenen, afgevallen boomschors of planten. Hij overwintert onderin de vegetatie. Op zachte winterdagen hervat hij de voedselopname. De pop hangt aan een stengel of aan de onderkant van een blad in een los spinsel vlak boven de grond. Merkwaardig is dat de rupsen die uit de eitjes van hetzelfde vrouwtje komen niet even snel groeien. Deze rupsen verpoppen zich dan ook verspreid over een periode van ongeveer vier weken, waardoor de vlinders onregelmatig verschijnen. (Melkert 1967, Lempke 1972, Elfferich 1997a).

De dichtheid aan vlinders is vrij hoog tot hoog, tien tot 50 vlinders per ha. De vlinders voeden zich met verschillende nectarplanten, vaak viooltjes. Later in het seizoen halen ze nectar vooral uit hogere kruiden zoals koninginnenkruid en slangenkruid. Ze zonnen veel op open plaatsen zoals kaal zand, paden en muren, maar vliegen snel weg als ze te dicht worden benaderd. Mannetjes houden patrouillevluchten als zij naar vrouwtjes zoeken. (Melkert 1967, 1983, Tax 1989, Elfferich 1997a, Asher et al. 2001, Van Swaay 2003).

Vliegtijd en overwintering

De kleine parelmoervlinder vliegt in drie generaties, in warme jaren mogelijk zelfs vier. Door de verschillen in de ontwikkelingstijd van de rupsen verschijnen vlinders van dezelfde generatie verspreid over een langere periode. Hierdoor overlappen de generaties elkaar sterk en zijn niet duidelijk van elkaar te onderschreiden. Circa 90% van de vlinders is waargenomen tussen 21 april en 5 oktober, waarbij de grootste aantallen in juli en augustus vlogen. De uiterste vliegdata zijn 13 maart en 23 november. De soort kan in Zuid-Europa mogelijk in alle stadia de winter doorbrengen, maar uit Nederland is alleen bekend dat jonge rupsen de winter overleven. In Zuid-Duitsland overwintert de soort doorgaans als rups, soms als pop. (Ebert & Rennwald 1991b).

Bron

Auteur(s)

Wynhoff, I., Swaay, C. van, Bosveld, M., Groenendijk, D., Bos, F.

Publicatie