Overslaan en naar de inhoud gaan

Hooibeestje Coenonympha pamphilus

Foto: Rob Smeenk

Indeling

Satyrinae [subfamilie]
Coenonympha [genus] (4/4)
pamphilus [soort]

Levenscyclus en gedrag

De waardplanten van het hooibeestje zijn verschillende grassen, zoals reukgras, zwenk- en beemdgrassen. De eitjes worden afgezet op de overgang van een hoge naar een lage grazige vegetatie. Het vrouwtje zet de eitjes afzonderlijk af, meestal laag in de vegetatie vlak bij de bodem. Daarbij zit het vrouwtje op een stengel of een blad en legt het eitje op het dichtstbijzijnde sprietje, wat overigens niet altijd een geschikte waardplant is. Daarna loopt het vrouwtje over dezelfde stengel verder naar een ander blad en zet wederom een eitje af. Jonge rupsen eten alleen bladeren, de oudere ook bloemen. De rupsen eten niet alleen 's nachts, zoals de meeste zandoogjes, maar ook overdag. Het meest actief zijn ze in de vroege ochtend. Het hooibeestje overwintert als halfvolgroeide rups. Op warme winterdagen eten de rupsen door. Er zijn snelle groeiers die van voedselrijke grassen leven en trage die op schralere planten leven. De rupsen verpoppen zich hangend aan een stevige grasspriet laag boven de grond. (Lempke 1926a, Maes & Van Dyck 1999).

De eerste vlinders verschijnen in mei. De dichtheid op de vliegplaatsen is hoog, tussen de 14 en de 76 individuen per ha. Vlinders vinden nectar in ruigten en bloemrijke graslanden; er zijn meer dan tachtig nectarplanten bekend. De meest gebruikte planten zijn akkerdistel, gewoon duizendblad en struikhei. Mannetjes zoeken een partner door een territorium te bezetten of te patrouilleren. De keuze hiertussen is afhankelijk van de temperatuur. Bij een lagere temperatuur (tot ca 21°c) zijn de meeste mannetjes territoriaal. Is de temperatuur hoger, dan vliegen zij vaker rond. De meeste territoria liggen bij bosjes, bomen of hogere nectarplanten. In een territorium zijn vaak verscheidene uitkijkposten aanwezig. De afstand tussen zulke posten varieert tussen één en veertien meter. Een mannetje kan een aantal dagen achtereen hetzelfde territorium bezet houden; er is zelfs een mannetje bekend dat een maand lang in hetzelfde territorium zat. Als een ander mannetje een territorium binnenvliegt, volgt een interactie met spiraalvluchten en achtervolgingen. Maagdelijke vrouwtjes zoeken de territoria gericht op, terwijl bevruchte vrouwtjes deze juist mijden. Mannetjes zijn zeer actief bij de balts en vliegen achter het vrouwtje aan totdat ze landt. Wanneer het paar eenmaal zit, fladdert het mannetje met de vleugels en drukt zijn kop tegen het lichaam van de partner. Het mannetje krult van tijd tot tijd zijn achterlijf en probeert zo het uiteinde van het achterlijf van het vrouwtje te pakken. Vrouwtjes paren zelden meer dan één keer. (Lempke 1926a, Koomen 1984, Wickman 1985, 1986, Tax 1989, Bink 1992, Van Swaay 2003).

Vliegtijd en overwintering

Het hooibeestje vliegt in twee elkaar overlappende generaties. De eerste generatie vliegt tussen 26 mei en 20 juli. De rupsen van deze generatie die langzaam groeien, overwinteren. Snel groeiende rupsen ontwikkelen zich tot een tweede generatie, die tussen 1 augustus en 5 september vliegt. De uiterste data waarop een vlinder is gevonden, zijn 26 maart en 24 oktober. De soort overwintert als halfvolgroeide rups in het derde of vierde stadium.

Bron

Auteur(s)

Swaay, C. van, Wynhoff, I., Groenendijk, D., Bos, F., Bosveld, M.

Publicatie