Overslaan en naar de inhoud gaan

Veenhooibeestje Coenonympha tullia

Foto: Paul Kersten

Indeling

Satyrinae [subfamilie]
Coenonympha [genus] (4/4)
tullia [soort]

Levenscyclus en gedrag

De waardplant van het veenhooibeestje is in Nederland eenarig wollegras, daarbuiten worden ook wel eens grassen gebruikt zoals pijpenstrootje. Het vrouwtje zet de eitjes afzonderlijk af, meestal op dorre, bruine bladeren aan de basis van een grote pol van de waardplant. De rupsen eten van de zachte toppen van de bladeren. Wanneer zij stoppen met eten of als het slecht weer is, trekken ze zich terug in het binnenste van de pol. Rupsen overwinteren in het derde - soms vierde - stadium, diep verscholen in de pol, waar ze hoge waterstanden en vrieskou kunnen overleven. Als het waterpeil stijgt, kruipt de rups langs een spriet wat omhoog. Het overlevingspercentage is in natte winters aanmerkelijk lager dan in drogere winters. Het veenhooibeestje verpopt zich op of nabij de waardplant. (Middelkoop & Veling 1987, Thomas & Lewington 1991, Schouwenaars 1993, Joy & Pullin 1997, 1999, Wynhoff 1998c, De Vries 2002, Hunneman & Hunneman 2002).

De eerste vlinders verschijnen in juni. De dichtheid op de vliegplaatsen is gemiddeld, zo'n 4 tot 64 exemplaren per ha. Slechts ongeveer 10 procent van de tijd besteden ze aan het drinken van nectar, voornamelijk van gewone dophei. Dat de vrouwtjes nectar nodig hebben voor de ontwikkeling van de eitjes is overigens nog niet aangetoond. De mannetjes bezetten geen territorium en vliegen veel. Zij zijn vooral 's middags actief, ook bij temperaturen onder de twintig graden. Vrouwtjes zijn minder actief. Zij vliegen slechts korte afstanden en verbergen zich vaak in de vegetatie. Maagdelijke vrouwtjes zitten in de vegetatie met hun kop omhoog. Wanneer een mannetje passeert, vliegt het vrouwtje in de regel naar het mannetje toe. Zij landt vervolgens ergens in de vegetatie of op de grond. Meestal volgt het mannetje haar, baltst en paart. Door deze actieve opstelling zorgt het vrouwtje ervoor dat de bevruchting snel plaatsvindt, waardoor zij voldoende tijd heeft voor het afzetten van de eitjes. Vrouwtjes die al gepaard hebben, blijven zitten als een mannetje passeert. De mannetjes ontdekken deze vrouwtjes dan ook bijna nooit, hoewel ze er geregeld vlak langs vliegen. (Frohawk 1934, Thomas & Lewington 1991, Wickman 1992).

Vliegtijd en overwintering

Het veenhooibeestje vliegt in één generatie tussen 6 juni en 20 juli. De uiterste data waarop een vlinder is waargenomen, zijn 20 mei en 28 augustus. De soort overwintert als halfvolgroeide rups.

Bron

Auteur(s)

Swaay, C. van, Wynhoff, I., Groenendijk, D., Bos, F., Bosveld, M.

Publicatie