Overslaan en naar de inhoud gaan

Rouwmantel Nymphalis antiopa

Foto: Paul Cools

Indeling

Nymphalinae [subfamilie]
Nymphalis [genus] (3/2)
antiopa [soort]

Levenscyclus en gedrag

De waardplanten van de rouwmantel zijn wilgen, vooral bos-, grauwe en geoorde wilg maar ook berken, ratelpopulier en prunus-soorten. Het merendeel van de Nederlandse rupsen is gevonden op wilg (94%), de rest op berk en prunus. Het vrouwtje heeft een voorkeur voor grotere, alleenstaande wilgen op vochtige plaatsen in de bosrand, meestal in de volle zon. De eitjes worden in een grote groep rondom een twijgje afgezet. De rupsen leven gezamenlijk in een spinsel, waarin ze zich voeden met bladeren. Na de laatste vervelling verspreiden ze zich over de boom. Vlak voor de verpopping verlaten ze deze boom en leggen dan vaak nog flinke afstanden af om zich in het strooisel of aan een struik, boom of schuurtje te verpoppen. (Tax 1989, Bink 1992).

De vlinders voeden zich voornamelijk met rottend fruit en sap van bloedende bomen. In het voorjaar drinken ze ook nectar van wilgenbloesem. De rouwmantel overwintert in een holle boom of houtstapel en de eerste vlinders verschijnen omstreeks maart. De dichtheid is laag, circa 6 tot 100 vlinders per km2. In het voorjaar verdedigen de mannetjes een territorium van ongeveer 300 m2 op een open, zonnige plek in het bos. Territoria van mannetjes kunnen elkaar gedeeltelijk overlappen. Vanaf verschillende uitkijkpunten houden ze om de paar minuten een korte vlucht, zodat het hele territorium wordt bestreken. Vlinders, vogels en zelfs wandelaars worden 'aangevallen'. Mannetjes jagen elkaar weg door samen hoog de lucht in te vliegen, totdat een van de twee vertrekt. Als een vrouwtje het territorium binnenkomt, vliegt het mannetje er snel naartoe. Een parings-bereid vrouwtje landt daarna in de vegetatie en spreidt de vleugels. Het mannetje gaat ernaast zitten en port met de kop onder haar vleugels. Dan klapt zij de vleugels op en vliegt verder, waarna de ceremonie zich herhaalt. Na de derde keer paren ze, waarbij het stel zich niet stoort aan geluid, beweging of de aanwezigheid van soortgenoten. De paring vindt meestal vroeg in de middag plaats en duurt gemiddeld anderhalf tot twee uur. (Bitzer & Shaw 1983, Schricker 1988, Bink 1992, Maes & Van Dyck 1999).

Vliegtijd en overwintering

De rouwmantel vliegt in één generatie tussen 1 augustus en 20 september. Hij overwintert als volwassen vlinder en vliegt in het voorjaar tussen 26 maart en 30 april. De uiterste data waarop een vlinder is waargenomen zijn 1 ja-nuari (inactief) en 23 november. De periode tussen de voorjaarsvlinders en de vlinders van de eerste generatie is opvallend lang: vlinders houden in het voorjaar eerder op met vliegen en die van de eerste generatie beginnen later te vliegen dan andere soorten die als volwassen vlinder over-winteren.

Bron

Auteur(s)

Wynhoff, I., Swaay, C. van, Groenendijk, D., Bosveld, M., Bos, F.

Publicatie