Overslaan en naar de inhoud gaan

Bosparelmoervlinder Melitaea athalia

Foto: Paul Kersten

Indeling

Melitaeinae [subfamilie]
Melitaea [genus] (5/3)
athalia [soort]

Levenscyclus en gedrag

De waardplant van de bosparelmoervlinder is vooral hengel; soms worden ook andere helmkruiden gebruikt zoals vingerhoedskruid en ereprijs, of smalle weegbree. De vrouwtjes paren meestal binnen enkele uren nadat ze uit de pop zijn gekomen. Daarna duurt het nog vrij lang, gemiddeld zo'n 8 dagen, voordat de eitjes rijp zijn. Als een vrouwtje de eitjes wil afzetten vliegt ze traag en log vlak boven de vegetatie. Als een geschikte plek is gevonden, landt ze en loopt vervolgens verder. Tijdens het afzetten van de eitjes stopt ze regelmatig om even te zonnen. De eitjes worden in groepjes van 80 tot 150 stuks afgezet op de onderkant van een blad van de waardplant of op een plant die dichtbij de waardplant groeit. De voorkeur gaat uit naar lage planten op open, zonnige plaatsen. Als er planten gebruikt worden die op tamelijk beschaduwde plaatsen groeien, moet er steeds een zonnige plek in de buurt zijn. Soms is er na enkele dagen nog een tweede, kleiner legsel van circa 50 tot 100 eitjes. De jonge rupsen eten eerst de eischaal op en gaan vervolgens naar de dichtstbijzijnde waardplant, waar ze een gezamenlijk spinsel maken. Na een korte periode verdelen ze zich in kleinere groepen van tien tot twintig rupsen. Deze trekken van plant naar plant en maken telkens een nieuw, fijn spinsel. De rupsen zonnen veel, maar verschuilen zich als de temperatuur boven de 32°C stijgt. Ze overwinteren alleen of in groepjes in een spinsel op de waardplant of op een verdroogd blad in de strooisellaag. Op de eerste warme dagen in het voorjaar komen ze weer tevoorschijn en leven ook dan alleen of in kleine groepjes. Ze zonnen veel in deze periode. Ze verpoppen zich aan een dorre plantenstengel, op stenen of aan de voet van bomen. (Warren 1987a, 1987b, Thomas & Lewington 1991, Bink 1992).

De eerste vlinders verschijnen in juni. Meestal leven ze in kleine groepen. De dichtheid kan aanzienlijk variëren tussen gemiddeld en heel hoog, zo'n 4 tot 260 individuen per ha. Belangrijkste nectarplanten zijn gele composieten die in bosranden groeien zoals gewoon biggenkruid en havikskruiden. De mannetjes vliegen veel terwijl ze op zoek zijn naar een vrouwtje en worden dan ook vaker gezien dan vrouwtjes, die het merendeel van de tijd zonnend of verborgen in de vegetatie doorbrengen. Bosparelmoervlinders zijn warmteminnend en vliegen zelden bij temperaturen onder 18°C. (Verspui & Visser 1988, Tax 1989, Vastenhoud 1989, Thomas & Lewington 1991, Bink 1992).

Vliegtijd en overwintering

De bosparelmoervlinder vliegt in één generatie tussen 16 juni en 15 juli. De uiterste vliegdata zijn 20 april en 18 augustus. De soort overwintert als halfvolgroeide rups, meestal in rupsennesten.

Bron

Auteur(s)

Wynhoff, I., Swaay, C. van, Groenendijk, D., Bosveld, M., Bos, F.

Publicatie