Overslaan en naar de inhoud gaan

Kleine heivlinder Hipparchia statilinus

Foto: Rob Smeenk

Indeling

Satyrinae [subfamilie]
Hipparchia [genus] (3/2)
statilinus [soort]

Levenscyclus en gedrag

De waardplant van de kleine heivlinder is vooral buntgras, soms worden ook andere grassen gebruikt. Na de bevruchting duurt het iets minder dan een week voordat de eitjes rijp zijn. Voor het afzetten van de eitjes kiest het vrouwtje polletjes gras die groeien in een zeer lage en open vegetatie met (korst)mossen en hier en daar wat open zand. De eitjes worden afzonderlijk op de waardplant afgezet. De rups komt eind september uit. Hij gaat vrijwel meteen - na niets of vrijwel niets te hebben gegeten - in overwintering aan de basis van een graspol. Vanaf februari gaat de rups eten, een activiteit die vanaf begin juni alleen nog 's nachts plaatsvindt. De rups verpopt zich verborgen in het zand, net onder het oppervlak, in een met spinsel bekleed holletje. (Vereijken 1988, Bink 1992, Van der Made & Pavlicek-Van Beek 1992, Maes & Van Dyck 1999).

De eerste vlinders verschijnen begin augustus. De dichtheid op de vliegplaatsen is vrij hoog, ongeveer 16 individuen per ha. In hun schrale biotoop halen de vlinders de nectar vooral uit struikhei. Is zelfs daar te weinig van, dan schakelen ze over op sappen van bomen, bijvoorbeeld die van ruwe berk of grove den. Het vrouwtje heeft voor het rijpen van de eitjes veel voedsel nodig. Mogelijk zoekt zij alleen nectar nabij geschikte plaatsen om de eitjes af te zetten, want alleen verspreid staande struiken struikhei dienen als nectarbron; zodra de vegetatie aaneensluit en een heideveld vormt, blijft zij daar weg. Mannetjes verschijnen ongeveer een week eerder dan vrouwtjes. Meerdere mannetjes scholen samen en wachten aan de rand van het stuifzand in de buurt van een boom op een partner. Omdat zij vooral langs de rand van het zand verblijven, worden de vrouwtje tijdens het zoeken naar voedsel of het afzetten van de eitjes weinig gestoord door mannetjes. De mannetjes vliegen op alles af wat beweegt. Is het een vrouwtje, dan vliegt het mannetje een tijdje om haar heen in een dwarrelende, horizontale vlucht. Het paar landt uiteindelijk op de grond en het mannetje loopt om het vrouwtje heen. Hij beweegt de vleugels snel op en neer en maakt buigingen, terwijl het vrouwtje stil blijft zitten. Na korte tijd onderneemt het mannetje een poging om te paren. Als het vrouwtje niet wil, weert ze de poging met geklapper van de vleugels af. (Vereijken 1988, Bink 1992, Van der Made & Pavlicek-Van Beek 1992).

Vliegtijd en overwintering

De kleine heivlinder vliegt vrij kort en laat in het seizoen in één generatie tussen 11 augustus en 5 september. De uiterste data zijn 20 juli en 20 september. De soort overwintert als vrijwel nuchtere rups.

Bron

Auteur(s)

Wynhoff, I., Swaay, C. van, Groenendijk, D., Bosveld, M., Bos, F.

Publicatie