Overslaan en naar de inhoud gaan

Heivlinder Hipparchia semele

Foto: Sander Pieterse

Indeling

Satyrinae [subfamilie]
Hipparchia [genus] (3/2)
semele [soort]

Levenswijze en gedrag

De waardplant van de heivlinder is vooral schapengras maar ook andere grassen die in schrale graslanden voorkomen, zoals struis- en zwenkgrassen, worden gebruikt. Na de paring duurt het nog 14 tot 18 dagen voordat de eitjes rijp zijn; de meeste eitjes zijn dus pas in de laatste decade van augustus rijp. Om eitjes af te zetten, landt het vrouwtje op de grond en loopt naar een geschikte plek. Ze worden vlakbij de bodem afzonderlijk afgezet op groene of dorre delen van een waardplant. Ook zet ze de eitjes wel eens op ongeschikte planten, korstmossen of takjes af. Het vrouwtje selecteert hierbij op de structuur van de vegetatie en heeft een voorkeur voor graspollen omringd door kale bodem of een lagere begroeiing. De rupsen verbergen zich overdag in graspollen en eten vooral 's nachts. Ze overwinteren diep verscholen in een graspol en eten dan bij zacht weer ook overdag. De daaropvolgende voorzomer groeien de rupsen verder. Zij verpoppen zich in een kleine holte, ongeveer één cm onder de grond, die zij met een zijden spinsel hebben bedekt (zie fig. 13 op p. 31). (Vereijken 1988, Tax 1989, Bink 1992, Maes & Van Dyck 1999).

Begin juli komen de eerste vlinders tevoorschijn. De dichtheid op de vliegplaatsen is hoog, zo'n 12 tot 84 exemplaren per ha. In hun droge, warme leefgebied kan de temperatuur hoog oplopen. De vlinders zoeken verkoeling in de schaduw van struweel of boompjes en draaien met de kop in de richting van de zon, zodat het lichaamsoppervlak dat beschenen wordt zo klein mogelijk is. Bij koeler weer richten ze het lichaam juist dwars op de zon zodat het grootste deel warmte opvangt. Zij voeden zich met boomsappen van berken of eiken en met nectar van diverse kruiden zoals struikhei en akkerdistel; langs de kunst vooral lamsoor en, indien aanwezig, blauwe zeedistel. Vooral vrouwtjes hebben veel nectar nodig. Mannetjes verschijnen enkele dagen eerder dan vrouwtjes. Ze verdedigen een territorium vanaf een boomstam of een open plek. Alle indringers worden aangevallen, of het nu vlinders, zweefvliegen, mensen of dwarrelende bladeren zijn. Wanneer het een soortgenote blijkt te zijn, achtervolgt het mannetje haar. Een paringsbereid vrouwtje landt op de grond, waarna het mannetje tegenover haar plaatsneemt en begint te baltsen. Het mannetje klappert daarbij met de vleugels, richt zich hoog op de poten, opent zijn vleugels en buigt zich voorover. Dan sluit hij de vleugels en klemt een of beide voelsprieten van het vrouwtje daartussen. Daarna beweegt hij achteruit totdat de voelsprieten weer los laten en loopt zijdelings om het vrouwtje heen en begint te paren. (Meeuse 1941a, b, Tinbergen 1941, Tinbergen et al. 1942, Vereijken 1988, Tax 1989, Thomas & Lewington 1991, Van Swaay 2003).

Vliegtijd en overwintering

De heivlinder vliegt in één generatie tussen 21 juli en 31 augustus, de uiterste vliegdata zijn 31 mei (twee eerdere waarnemingen op 3 april en 4 mei lijken onwaarschijnlijk) en 17 oktober. De soort overwintert als halfvolgroeide rups.

Bron

Auteur(s)

Wynhoff, I., Groenendijk, D., Swaay, C. van, Bosveld, M., Bos, F.

Publicatie