Overslaan en naar de inhoud gaan

Tijgerblauwtje Lampides boeticus

Foto: Tjitske Lubach

Indeling

Polyommatinae [subfamilie]
Lampides [genus] (1/0)
boeticus [soort]

Indeling

Polyommatinae [subfamilie]
Lampides [genus] (1/0)
boeticus [soort]

Het tijgerblauwtje is een standvlinder in Afrika, Australië en grote delen van Azië. In Europa komt hij vooral voor in het gebied rondom de Middellandse Zee, maar ook in Midden-Frankrijk en Zwitserland. In België, Duitsland en Groot-Brittannië wordt hij alleen als zwerver gevonden. In Midden- en Zuid-Duitsland en in Zuid-Engeland heeft de soort wel eens een zomergeneratie voortgebracht; overwinteren doet hij daar echter niet. (Van Swaay & Warren 1999, Veling 2002).

De waardplant is vooral blazenstruik Colutea, soms worden ook andere vlinderbloemigen gebruikt. Vaak wordt voor iedere generatie een ander soort waardplant gezocht. De rups voedt zich vooral met de bloemen en vruchten, maar van sommige planten worden ook de jonge bladeren gegeten. De soort vliegt in Zuid-Europa in verschillende, elkaar overlappende generaties van februari tot november en overwintert als eitje of jonge rups. In Afrika en de Canarische Eilanden, mogelijk ook in zuidelijk Europa, vliegt hij het hele jaar door. Het tijgerblauwtje leeft op warme onbeschaduwde plaatsen, bijvoorbeeld steppeachtige graslanden, moes-tuinen, ruderale terreinen en moerassen, en is soms een plaag in erwten- en bonenplantages. De rupsen worden door verschillende mierensoorten bezocht. Het tijgerblauwtje staat bekend als een zeer mobiele vlinder die veelvuldig buiten het normale leefgebied wordt waargenomen. Zwervende individuen kunnen tijdelijke populaties vormen, zoals in een stadspark bij Mannheim het geval is geweest. Mogelijk zijn de vlinders die in Noordwest-Europa worden gevonden afkomstig van zulke tijdelijke populaties waardoor ze hier pas relatief laat in het jaar arriveren. (Lempke 1972).

Het tijgerblauwtje is een dwaalgast die elfmaal in Nederland is waargenomen, waarvan driemaal in 2001. Daarnaast wordt deze soort als adventief geregeld met groenten (vooral boontjes en peultjes) uit Afrika geïmporteerd. Zo is op 6 december 1996 en in 1998 een tijgerblauwtje gezien bij verse Afrikaanse groenten in een supermarkt in Vlissingen (ze), in de winter van 1998 is in Zeist (ut) een rups bij Egyptische peulen gevonden (deze rups is hier grootgebracht en heeft zich verpopt) en in 2001 is bij Winschoten (gr) een vlinder bij een supermarkt gezien. De Plantenziektekundige Dienst zoekt sinds februari 2002 gericht naar deze soort in willekeurige zendingen peulvruchten en heeft sindsdien al 30 rupsen (en een enkele pop) gevonden. (mond. med. Plantenziektekundige Dienst).

De overige elf vondsten hebben waarschijnlijk betrekking op zwervers die Nederland op eigen kracht hebben bereikt. Het tijgerblauwtje is daar wel degelijk toe in staat; hij wordt al sinds het midden van de negentiende eeuw geregeld in het zuiden van Groot-Brittannië gevonden. Bovendien zijn al deze waarnemingen uit de periode dat de soort hier verwacht kan worden, namelijk tussen augustus en oktober. De eerste Nederlandse waarnemingen zijn van 20 september 1964 uit Middelharnis (zh) en 22 augustus 1967 uit het Jonkerbos in Nijmegen (ge). De soort wordt in Noordwest-Europa al veel langer gevonden, in Vlaanderen bijvoorbeeld in 1830, 1908, 1937, 1939 en 1945 en in Engeland zijn er veel waarnemingen van voor 1950, waaronder een invasie in 1945 met 24 exemplaren. Na 1967 duurde het bijna 20 jaar voordat de soort opnieuw in Nederland opdook: op 10 augustus 1985 in het Korenburgerveen (ge). Daarna is de soort nog acht maal waargenomen (1987 Muiden (nh); 22 augustus 1998 Bergeijk (nb); 28 augustus 1999 Wissekerke (ze); 15 oktober 2001 Lichtenvoorde (ov); 17 oktober 2001 Hortus Utrecht (ut) en 12 oktober 2001 Amsterdamse Waterleidingduinen (nh); 20 september 2003 Leersumse Veld (ut) en 21 september 2003 Vijlen (li). (Lempke 1972, Maes & Van Dyck 1999, Veling 2002).

Bron

Auteur(s)

Swaay, C. van, Wynhoff, I., Groenendijk, D., Bos, F., Bosveld, M.

Publicatie