Overslaan en naar de inhoud gaan

Sleedoornpage Thecla betulae

Foto: Dick Belgers

Indeling

Theclinae [subfamilie]
Thecla [genus] (1/1)
betulae [soort]

Levenscyclus en gedrag

De belangrijkste waardplant van de sleedoornpage is sleedoorn. Daarbij gaat de voorkeur uit naar struiken die beschut liggen maar niet beschaduwd worden en vrij oud zijn. Daarnaast worden ook regelmatig andere struiken en bomen van het geslacht Prunus gebruikt, zoals pruimen. Zo zit de soort in tuinen wel eens op pruimen en komt hij in Midden-Europa veel op gekweekte pruimen voor; in 1959 veroorzaakte hij in Westfalen zelfs schade.

Bij de ei-afzet gaat het vrouwtje behoedzaam te werk. Ze loopt over de jonge takken en tast verscheidene plekjes af. Zij zet één - heel soms twee of drie - eitje af in de oksel van een doorn- of tak op de overgang van ouder naar jonger hout, vrijwel altijd aan de zonnige zuidzijde van het struweel. Hierbij gaat de voorkeur uit naar twee- of driejarig hout. Als het eitje is afgezet, zet het vrouwtje enkele centimeters verder opnieuw een af. Gemiddeld legt ze maar vijf eitjes per dag. De volgende dag begint ze op een andere plek, waardoor de eitjes over een groter gebied verspreid worden. Waarnemingen van meer dan tien eitjes in een tak-oksel zijn uitzonderlijk. (Thomas 1974, Stevens 1986, Bink 1992, Groenendijk & Groenendijk 1993, Van der Velden 1996, Guelinckx 2001, Bink & Moenen 2004).

De eitjes overwinteren en komen rond april uit, juist op het moment dat een groot deel van de knoppen open gaan. De rupsjes eten slechts een gaatje in het eitje waardoor uitgekomen eitjes nog enige tijd zichtbaar blijven. Jonge rupsen voeden zich aanvankelijk met het binnenste van een bladknop; zodra deze openspringt, kruipt het rupsje naar binnen. Later leven ze ook buiten de knoppen en eten van de bladeren (zie fig. 9 op p. 29). Zij zijn dan vooral 's nachts actief, overdag verbergen ze zich aan de onderkant van de bladeren. Rupsen scheiden een zoete stof af en worden soms bezocht door mieren. Rupsen die tussen de bladeren leven zijn groen. Een rups die zich gaat verpoppen wordt bruin, waardoor zijn kleur overeenkomt met die van het schors en het strooisel. Verpopping vindt plaats in de strooisellaag, meestal in juli. Daarnaast zijn er wel eens poppen gevonden in nesten van schubmieren van het genus Lasius. (Thomas & Lewington 1991, Stefanescu 2000).

Vanaf eind juli vliegen de vlinders. De dichtheid op de vliegplaatsen is gemiddeld, circa 4 individuen per ha. De vlinders voeden zich vooral met honingdauw, soms met nectar van bijvoorbeeld koninginnenkruid en guldenroede. Volgens Guelinckx (2001) gebruiken de vlinders in jaren met weinig honingdauw meer nectar van bloemen. Dan kan het voorkomen dat een sleedoornpage uren achtereen wordt waargenomen op bijvoorbeeld een guldenroede in een tuin. De vlinders zijn gevoelig voor extreme weersomstandigheden, zowel langdurig koel als aanhoudend warm en droog weer. Zij zijn actief wanneer het warmer is dan 20°C maar rusten als de temperatuur boven de 30°C komt. Mannetjes scholen samen in kruinen van vrijstaande bomen en maken van hieruit korte, dwarrelende vluchten. De wetenschappelijke naam (T. betulae) en de oude Nederlandse naam 'berkepage' hebben waarschijnlijk betrekking op zo'n ontmoetingsboom (een berk) en zeker niet op de waardplant. Vrouwtjes ontpoppen zich enkele dagen later dan man-netjes, maar vliegen daarna vrij snel naar zo'n ontmoetingsboom. Zonder voorafgaande baltsvlucht vindt de paring boven in de boom plaats. (Prins 1991, Bink 1992, Maes & Van Dyck 1999, Ten Hallers 2001, Bink & Moenen 2004).

Vliegtijd en overwintering

De sleedoornpage vliegt in één generatie tussen 26 juli en 20 september. De uiterste vliegdata zijn 19 juli (de waarneming uit de Flevopolder is van 12 juli, maar vermoedelijk zat dit individu op pootgoed en heeft de winter op een luwe plaats doorgebracht) en 17 oktober. De soort overwintert als eitje.

Bron

Auteur(s)

Wynhoff, I., Swaay, C. van, Groenendijk, D., Bosveld, M., Bos, F.

Publicatie