Overslaan en naar de inhoud gaan

Donker pimpernelblauwtje Phengaris nausithous

Foto: Paul Kersten

Indeling

Polyommatinae [subfamilie]
Phengaris [genus] (4/4)
nausithous [soort]

Levenscyclus en gedrag

De waardplant van het donker pimpernelblauwtje is de grote pimpernel. Het vrouwtje zet per keer één tot vijf
eitjes afzonderlijk af op relatief forse bloemhoofdjes die nog geen bloemen hebben en nog geen nectar produceren. Dit in tegenstelling tot het pimpernelblauwtje, dat eerder vliegt, kleinere bloemhoofdjes uitzoekt en één eitje per hoofdje afzet. De waardmier is de gewone steekmier, soms ook de moerassteekmier. Omdat deze mieren maar enkele meters van het nest vandaan gaan, selecteert het vrouwtje planten die dichtbij een mierennest groeien. Alleen in jaren met grote aantallen vlinders worden ook planten gebruikt waar geen geschikte mieren bij in de buurt leven. De rupsen leven aanvankelijk van de zaden. Na de derde vervelling laten ze zich op de grond vallen, waar ze blijven liggen totdat ze ontdekt worden door een waardmier. Na vijf tot vijftien minuten krijgt de mier een druppel zoetigheid. De rups richt zich op, de mier pakt hem en gaat met de rups tussen zijn kaken naar het nest. Rupsen van het donker pimpernelblauwtje worden door mieren sneller gevonden en lijken aantrekkelijker dan die van het pimpernelblauwtje: de rups van het donker pimpernelblauwtje wordt meestal binnen een kwartier meegenomen, bij het pimpernelblauwtje duurt dit vaak één tot twee uur. Ook zijn de nesten van de gewone steekmier groter dan die van de moerassteekmier en er kunnen meerdere rupsen in één mierennest overleven. Wel duurt het langer om zo'n mierennest op te bouwen. Hierdoor kan het donker pimpernelblauwtje in relatief kleine gebieden vrijwel alle gastmiernesten tijdelijk vernietigen, waarna hij op zoek moet naar een ander leefgebied. Elfferich (1997b) heeft de ontwikkeling van de rups gevolgd in een gipsnest (zie kader). De rups eet kleine mierenlarven en eitjes en overwintert tussen de mierenlarven. In het voorjaar groeit de rups verder en verpopt vlakbij de uitgang van het mierennest. (Thomas 1984, Ebert & rennwald 1991b, Wynhoff 2001, Wynhoff et al. 2005).

De vlinders komen 's nachts tussen middernacht en zes uur 's ochtends uit, de mieren zijn dan weinig actief. De dichtheid op de vliegplaatsen is doorgaans hoog tot zeer hoog, zo'n 16 tot 260 individuen per ha. De vlinders voeden zich met nectar van bloemen en kruidachtige planten, bij voorkeur de grote pimpernel. Mannetjes komen gemiddeld een tot drie dagen eerder uit dan vrouwtjes. Mannetjes besteden een groot deel van de tijd aan het zoeken naar nectar op grote pimpernel of het houden van patrouillevluchten. Vrouwtjes paren meestal in de ochtend of vroege middag van de dag dat ze uit de pop zijn gekomen en beginnen direct daarna eitjes af te zetten. (Thomas 1984, Bink 1992, Pfeiffer et al. 2000).

Vliegtijd en overwintering

Het donker pimpernelblauwtje vliegt in één generatie in een korte periode tussen 21 juli en 10 augustus; uiterste data zijn 29 juni en 12 september. De soort overwintert als halfvolgroeide rups in mierennesten.

Bron

Auteur(s)

Wynhoff, I., Groenendijk, D., Swaay, C. van, Bosveld, M., Bos, F.

Publicatie