Overslaan en naar de inhoud gaan

Aardbeivlinder Pyrgus malvae

Foto: Bert de Ruiter

Indeling

Pyrginae [subfamilie]
Pyrgus [genus] (7/1)
malvae [soort]

Levenscyclus en gedrag

De waardplant van de aardbeivlinder is in het binnenland vooral tormentil, in de duinen vooral dauwbraam. In het buitenland worden de eitjes ook op andere soorten roos-achtigen afgezet zoals wateraardbei, voorjaarsganzerik, gewone braam, bosaardbei en gewone agrimonie. Na de paring vliegt het vrouwtje laag boven de vegetatie op zoek naar een geschikte waardplant. Zij heeft een voorkeur voor kleine, jonge planten die in een lage vegetatie groeien. Voor ze de eitjes afzet inspecteert ze het blad zorgvuldig door eroverheen te lopen, waarbij ze met een gekromd achterlijf de onderzijde van het blad aftast. Er wordt één eitje op de onderzijde van een goedgekeurd blad afgezet. (Ruseler 1994, Kan & Mourik 1996, Grosz & Van der Pol 1996).

De jonge rups spint een kokertje door het blad naar boven te vouwen. Grotere rupsen gebruiken meerdere bladeren die ze tot een koker samenspinnen. Alleen 's ochtends en
's avonds komt de rups uit zijn koker om te eten. De soort overwintert als pop in een cocon van samengesponnen, dor, omgekruld blad in het strooisel. (Kan & Mourik 1996, Ketelaar & Veling 2002).

Ongeveer negen maanden na de verpopping verschijnt de vlinder. De dichtheid aan vlinders is vrij hoog tot hoog, circa 8 tot 66 individuen per ha. De vlinder voedt zich met nectar van verschillende lage kruiden: in heidegebieden vooral tormentil en muizenoor, in kalkgraslanden kruipend zenegroen en in de duinen reigersbek, duinviooltje, muizen-oor, hoornbloem, braam en hondsdraf. Soms is de vlinder ook op bramen in de bosrand te vinden. Mannetjes verdedigen een territorium en zitten meestal op een hogere plek, zoals een grashalm of bloemknop, van waaruit ze de omliggende lage vegetatie overzien. Vliegt er een vrouwtje in de buurt dan wordt ze achtervolgd. Het mannetje volgt het vrouwtje tussen de vegetatie en uiteindelijk kruipen de vlinders naar elkaar toe met gekromde achterlijven. Tijdens de paring openen en sluiten de vlinders hun vleugels en trappelen ze zo nu en dan met hun achterpoten tegen het achterlijf van de partner. De paring kan anderhalf uur duren. (Tax 1989, Ruseler 1994, Grosz & Van der Pol 1996, Kan & Mourik 1996, Heijkers & De Zwarte 1999).

Vliegtijd en overwintering

De aardbeivlinder vliegt in één generatie tussen 1 mei en
5 juni. De uiterste data waarop vlinders zijn gezien zijn 4 april en 23 augustus. Dieren die later in het jaar vliegen zijn mogelijk van een partiële tweede generatie die sporadisch en in uiterste lage aantallen voorkomt. Overwintering gebeurt als pop.

Bron

Auteur(s)

Groenendijk, D., Swaay, C. van, Wynhoff, I., Bosveld, M., Bos, F.

Publicatie