Overslaan en naar de inhoud gaan

Groot dikkopje Ochlodes sylvanus

Foto: Dick Belgers

Indeling

Hesperiinae [subfamilie]
Ochlodes [genus] (1/1)
sylvanus [soort]

Levenscyclus en gedrag

De waardplanten van het groot dikkopje zijn verschillende grassen zoals breedbladige zwenkgrassen en beemdgrassen, kweek, witbol en pijpenstrootje. Een vrouwtje dat op zoek is naar een geschikte plaats om de eitjes af te zetten, vliegt laag boven de vegetatie. Wanneer een geschikte plant is gevonden, gaat ze op een van de buitenste bladeren zitten en zet aan de onderzijde één eitje af. De meeste eitjes worden afgezet op beschutte plaatsen in een vrij hoge grazige vegetatie. (Frohawk 1934, Maes & Van Dyck 1999).

De rups eet na het uitkomen eerst de eischaal en bouwt vervolgens een koker door zijden draden van de ene naar de andere rand van het blad te spinnen. De binnenzijde van deze koker bekleedt hij met een laagje zijde. De rups kruipt alleen uit dit onderkomen om van de rand van de grasstengel te eten en keert er na iedere maaltijd weer in terug. Na elke vervelling maakt hij een nieuwe koker. Voor de overwintering spint de halfvolgroeide rups een stevig hibernaculum in een grasstengel. Dan zit de rups diep weggestopt in een dichtgevouwen blad (zie fig. 2 op p. 26). In het voorjaar eet de rups verder. Om zich te verpoppen spint hij vlak boven de grond een cocon tussen enkele grassprieten. (Frohawk 1934, Maes & Van Dyck 1999).

De vlinders verschijnen vanaf midden juni. De dichtheid aan vlinders is hoog tot zeer hoog, tussen de 16 en meer dan 100 individuen per ha. Ze voeden zich met nectar van onder andere gewone braam, dophei en akkerdistel. Mannetjes wisselen patrouillevluchten af met het verdedigen van een territorium. Over het algemeen houden ze 's ochtends patrouillevluchten en verdedigen 's middags een territorium. Opvallend daarbij is dat ieder jaar min of meer dezelfde uitkijkposten worden gebruikt. Vooral geliefd zijn open zonnige plaatsen langs een bosrand of heg waar de waard- en nectarplanten staan. Om deze plaatsen wordt dan ook wel eens 'gestreden'. De vlucht tijdens zulke gevechten is zo snel, dat de vlinders nauwelijks te zien zijn, maar het ritselen van de vleugels is wel te horen. Wanneer een vrouwtje voorbijvliegt, maakt het mannetje een snelle baltsvlucht waarna beide vlinders in een boom of struik landen. Een vrouwtje dat door een mannetje wordt benaderd maar niet wil paren, trilt snel met de vleugels. (Lavrijsen 1985, Dennis & Williams 1987, Thomas & Lewington 1991, Van Swaay 2003).

Vliegtijd en overwintering

Het groot dikkopje vliegt in één generatie tussen 16 juni en 5 augustus. De uiterste data waartussen vlinders zijn gezien, zijn 7 mei en 26 september. De soort overwintert als halfvolgroeide rups.

Bron

Auteur(s)

Wynhoff, I., Swaay, C. van, Groenendijk, D., Bosveld, M., Bos, F.

Publicatie