Overslaan en naar de inhoud gaan

Bont dikkopje Carterocephalus palaemon

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Heteropterinae [subfamilie]
Carterocephalus [genus] (1/1)
palaemon [soort]

Levenscyclus en gedrag

De eitjes van het bont dikkopje worden afzonderlijk afgezet op de bovenkant van jonge bladeren van pijpenstrootje of hennegras. Vroeger leefde de soort in Zuid-Limburg op bos-kortsteel, misschien ook op gevinde kortsteel. Voordat het vrouwtje de eitjes afzet, voedt zij zich met nectar van kruiden op bloemrijke en beschutte plaatsen. (Ravenscroft 1994b, Van Swaay et al. 1995).

Direct na uitkomen spint de rups een kokertje van een grasspriet, waarin hij zich overdag verbergt. 's Nachts verlaat hij zijn koker om te eten. Als het blad rondom dit kokertje grotendeels is opgegeten, zoekt hij een andere stengel en spint opnieuw een schuilplaats. Rupsen eten alleen de groene bladeren. Ze groeien traag en zijn afhankelijk van een lange en aanhoudende groei van de waard-plant. In het najaar leven de grotere rupsen vrij op de plant. Dan maken zij aan weerszijden van een grasspriet een inkeping, waardoor de plant geen voedingsstoffen meer naar de wortels kan verplaatsen en het voedselgehalte in de bladeren hoog blijft. Hierdoor komt het dat planten waarop rupsen leven aan het einde van het seizoen nog groen en voedselrijk zijn en onbezette planten helemaal verdord. Om te overwinteren spint de rups een stevig kokervormig hibernaculum van meerdere grasbladeren en verkleurt dan van lichtgroen naar lichtbruin, wat overeen komt met de verkleuring van het gras. Aan het begin van de lente verlaat hij zijn hibernaculum, en duurt het nog één à twee weken voordat hij zich verpopt. In deze periode zont de rups veel. Het blijkt dat rupsen die weinig zon hebben gehad dicht bij de grond verpoppen, terwijl rupsen die meer zonnewarmte hebben ontvangen dit aan de bovenkant van een oud blad doen. (Ravenscroft 1994c, d).

De vlinders voeden zich met nectar van verschillende planten, vooral braam en echte koekoeksbloem. Mannetjes verdedigen een territorium, meestal een beschutte, zonnige ruigte met enkele struiken. Vaak zit het mannetje op een hoge grasspriet of tak. Wanneer een ander mannetje het territorium binnenvliegt, verjaagt hij die met een spiraalvlucht, waarbij de vlinders wel 25 tot 30 meter ver kunnen vliegen. Meestal keert de territoriumbezitter daarna terug. Mannetjes zijn actieve vliegers en maken veel snelle en korte vluchten om een paringsbereid vrouwtje te vinden. Het aantal vlinders op de vliegplaatsen is hoog, circa 40 per ha. (Tax 1989, Stronks 1994, Ravenscroft 1994a, Van Swaay 2003).

Vliegtijd en overwintering

Het bont dikkopje vliegt in één generatie tussen 11 mei en 10 juni. Vlinders zijn waargenomen tussen 27 april en 11 augustus. De soort overwintert als volwassen rups.

Bron

Auteur(s)

Wynhoff, I., Swaay, C. van, Bosveld, M., Groenendijk, D., Bos, F.

Publicatie