Overslaan en naar de inhoud gaan

Groot koolwitje Pieris brassicae

Foto: Bas van Hulst-Kuiper

Indeling

Pierinae [subfamilie]
Pieris [genus] (4/3)
brassicae [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland
ReferentieVeldgids dagvlinders [2e druk]
ExpertSwaay, C. van (De Vlinderstichting)

Trend

Trend gehele periode: Matige afname
Trend laatste 10 jaar: Sterke afname

Bron: Vlinderstichting, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

 

Verspreiding

Het groot koolwitje is een zeer mobiele vlinder die tot de 'binnen hun areaal migrerende vlinders' wordt gerekend en over flinke afstanden kan zwerven. Vooral in de 19e en begin 20e eeuw zijn grote groepen trekkende grote koolwitjes gedocumenteerd. Zulke trekgroepen werden wel vergeleken met zomerse sneeuwbuien! Zo'n bijzonder jaar was bijvoorbeeld 1842 toen miljoenen exemplaren nabij de Zuiderzee in noordwestelijke richting vlogen. Andere jaren met veel trekkende vlinders waren september 1897 toen bij Scheveningen 'ontelbaar' veel dieren in zuidwestelijke richting langsvlogen, en 1947 en 1950 toen op diverse plaatsen grote groepen werden gezien. Sindsdien is het aantal migrerende koolwitjes afgenomen. Grote groepen worden overigens alleen in de nazomer gezien (zie kader); in het voorjaar vliegen ze alleen of in kleine groepjes. De vlinders vliegen zo'n 50 tot 100 km per dag en aangezien de vrouwtjes al na twee of drie dagen met het afzetten van de eitjes beginnen, is berekend dat ze maximaal 150 tot 300 km afleggen. (Lempke 1951, 1972).

Het groot koolwitje komt voor van Ierland tot Centraal Azië en China en van Scandinavië tot Noord-Afrika. In Nederland komt hij overal voor en is het een zeer algemene standvlinder. Lempke (1972) suggereerde dat het een schaarse tot zeldzame vlinder zou zijn, als de lokale populaties niet met enige regelmaat zouden worden aangevuld met zwervende individuen. Maar recent onderzoek, onder andere door Asher et al. (2001), wees uit dat immigratie weinig invloed heeft op de aantallen. De grootte van de tweede generatie blijkt vooral af te hangen van de grootte van de eerste. (Akkermans 2001).

In de jaren negentig was het groot koolwitje de minst algemene soort van de drie koolwitjes, maar hij is nog altijd zeer algemeen (in totaal zijn er bijna 63.000 waarnemingen van bijna 210.000 individuen van het groot koolwitje; van beide andere witjes zijn er elk zo'n 110.000 waarnemingen van 650.000 individuen). In vergelijking met vroeger is de verspreiding waarschijnlijk niet veranderd. Wel wordt de soort verhoudingsgewijs veel meer gemeld. Dit vertekende beeld wordt veroorzaakt doordat tegenwoordig ook waarnemingen van algemene vlinders worden geregistreerd. Meldingen in het begin van de vorige eeuw zijn voornamelijk gebaseerd op literatuurvermeldingen en exemplaren in collecties; zo'n algemene soort werd naar verhouding minder vaak vermeld en verzameld. Dat hij ook aan het begin van de vorige eeuw algemeen was, blijkt bijvoorbeeld uit Ter Haar (1928), die de soort 'in geheel Nederland, soms zeer schadelijk' noemt. Al lange tijd zijn geen grote (trek)vluchten meer waargenomen, wat zou kunnen duiden op een achteruitgang. Uit modelberekeningen met de verwachte klimaatveranderingen blijkt, dat het groot koolwitje de enige van dertig vlindersoorten is die achteruit zal gaan door de opwarming van het klimaat. Alle andere soorten blijven volgens dit onderzoek gelijk of gaan vooruit. (Roy et al. 2001).

Uit het Landelijk Meetnet Vlinders blijkt dat het voorkomen jaarlijks sterk fluctueert en dat over de gehele periode de aantallen matig afnemen. (Van Swaay & Groenendijk 2005).

Toekomst

Naar verwachting blijft het groot koolwitje voorlopig een algemene standvlinder.

Bron

Auteur(s)

Wynhoff, I., Swaay, C. van, Groenendijk, D., Bosveld, M., Bos, F.

Publicatie