Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Oranjetipje Anthocharis cardamines

Foto: Hannco Bakker

Indeling

Pierinae [subfamilie]
Anthocharis [genus] (1/1)
cardamines [soort]

Levenscyclus en gedrag

De twee belangrijkste waardplanten van het oranjetipje zijn pinksterbloem in vochtige graslanden en look-zonder-look op halfbeschaduwde plaatsen. Daarnaast wordt een groot aantal andere kruisbloemigen als waardplant gebruikt. In beschutte tuinen gebruikt de soort bijvoorbeeld wel judaspenning of damastbloem en in de Kennemerduinen vooral ruige scheefkelk, hoewel daar ook voldoende look-zonder-look te vinden is. Het vrouwtje heeft een voor-keur voor waardplanten die op zonnige beschutte plaatsen groeien, zo-als in greppels of in hooilanden nabij struweel of bosranden. Vooral grote, opvallende planten met veel bloemhoofdjes die niet of nauwelijks bloeien worden gebruikt. Het vrouwtje landt op een geschikte bloemknop, steekt de antennen recht naar voren en kromt het achterlijf. Dan wordt één eitje vlak onder de knop op de bloemsteel afgezet. Hierna vliegt ze meestal naar een plant in de buurt om te rusten of nectar te drinken (meer over dit gedrag en de waardplantkeuze in het kader). De eitjes scheiden een stof af die andere vrouwtjes ervan weerhoudt nog een eitje op de plant af te zetten. Eén pinksterbloem biedt doorgaans onvoldoende voedsel voor meer dan één rups. Bovendien zijn de rupsen kannibalistisch. Eitjes die later op een bezette plant worden afgezet hebben daarom nau-welijks overlevingskansen. (Court-ney 1982, Heijligers 1984, Demp-ster 1992, Slotboom 1994, Veling 1995a).

De jonge rups eet eerst de eischaal op, daarna voedt hij zich met de hauwtjes. Wanneer de hauwtjes op zijn, eet hij van de bloemsteeltjes en blaadjes of zoekt een nieuwe plant. De rups eet vooral in de vroege ochtend. Als hij zich gaat verpoppen, verlaat hij de waardplant. Hij klimt dan langs allerlei planten omhoog en verplaatst zich al zwiepend van de ene naar de volgende plant om uiteindelijk een plekje op een boom, struik of stengel uit te kiezen. Rond deze stengel wor-den draden gesponnen, waarna de rups zich van onder naar boven stevig inspint. Vanaf juni verpopt het oranje-tipje zich al. (Thijsse 1908, Heijligers 1984, Brouwers 1987).

Eind april vliegen de eerste oranjetipjes; de mannetjes verschijnen ongeveer een tot twee weken eerder dan de vrouwtjes. De dichtheid is vaak hoog en kan op-lopen tot meer dan 50 individuen per ha. De vlinders gebruiken met name pinksterbloem en look-zonder-look als nectarbron. Vrouwtjes worden veel vaker nectardrinkend gezien dan mannetjes. De mannetjes patrouilleren. Ze volgen een vaste route langs herkenbare structuren in het landschap, zoals een houtwal, een ruige berm of een bosrand. Mannetjes achtervolgen alles wat wit is, dus ook andere vlinders. Vrouwtjes paren slechts eenmaal. Een vrouwtje dat al gepaard heeft, vliegt bij een baltsend mannetje weg. Heeft ze nog niet gepaard, dan steekt ze het achterlijf in de lucht en vindt binnen enkele seconden de paring plaats. Na de paring zoekt het mannetje verder naar andere vrouwtjes. (Wiklund & åhrberg 1978, Heijligers 1984, Wiklund & Forsberg 1985, Van Swaay 2003).

Vliegtijd en overwintering

Het oranjetipje vliegt in één generatie tussen 21 april en 25 mei. De uiterste vliegdata zijn 2 maart en 22 juli (er zijn nog waarnemingen van eind juli, augustus en september die niet waarschijnlijk worden geacht). Hij verpopt zich meestal eind juni en zo overwintert hij ook.

Mobiliteit

Het oranjetipje is een mobiele vlinder. Vrouwtjes zwerven na de bevruchting boven hooilanden op zoek naar nectar en wellicht ook om opdringerige mannetjes te vermijden. Ze keren zelden terug naar het gebied waar ze uit de pop zijn gekomen. Mannetjes vliegen vooral langs de randen van bossen en struwelen, waar ze vaste routes vliegen. Dat deze soort geregeld zwerft, blijkt onder andere uit een waardplant-onderzoek. Rupsen eten namelijk van planten met een kenmerkende soort mosterdolie. Door de mosterdolie in de vlinders te vergelijken met de mosterdolie in waardplanten op de vliegplaatsen bleek dat maar een klein deel van de vlinders in een betreffend gebied was verpopt. De meeste kwamen dus ergens anders vandaan. (Wiklund & åhrberg 1978, Dempster 1997).

Bron

Auteur(s)

Wynhoff, I., Swaay, C. van, Groenendijk, D., Bosveld, M., Bos, F.

Publicatie