Overslaan en naar de inhoud gaan

Vroege glazenmaker Aeshna isoceles

Foto: Dick Belgers

Indeling

Aeshnidae [familie]
Aeshna [genus] (8/7)
isoceles [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieBasisrapport Rode Lijst Libellen 2011 volgens Nederlandse en IUCN-criteria
ExpertKalkman, V.J. (EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden)

Trend

Trend gehele periode: Sterke toename
Trend laatste 10 jaar: Matige toename

Bron: Vlinderstichting, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

 

Areaal

De vroege glazenmaker komt voor in Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten. De oostgrens is niet goed bekend, maar hij is bekend van de Oekraïne en streken ten zuiden van Moskou. A.isoceles heeft een Europese verspreiding die noordelijk tot Letland reikt en in het zuiden tot de Middellandse Zee. In het zuiden is het een vrij algemene soort, in het noorden komt ze lokaal voor en in Scandinavië ontbreekt ze nagenoeg. A.isoceles komt niet voor in berggebieden. In Groot-Brittannië komt ze alleen voor in Norfolk. De Duitse verspreiding ligt vooral in het zuiden, hoewel ook in Schleswig-Holstein grote populaties bestaan. De soort staat in Duitsland op de Rode Lijst als bedreigd. In België is ze sterk achteruitgegaan en nu beperkt tot een handjevol vindplaatsen in Vlaanderen, waar hij met uitsterven is bedreigd. In Luxemburg werd de soort in 1993 voor het eerst gezien. Mogelijk bevindt zich daar een populatie.

Verspreiding in Nederland

De huidige verspreiding verschilt van die aan het begin van de 20e eeuw. In de periode tot 1950 stamt een aanzienlijk deel van de waarnemingen uit gebieden buiten de laagveenmoerassen. Vooral plassen en vennen op de Veluwe, in Noord-Brabant en Oost-Nederland waren goed vertegenwoordigd. De soort was toen waarschijnlijk ook in alle laagveenmoerassen aanwezig, maar deze werden weinig bezocht. Na 1950 ligt het zwaartepunt van de verspreiding in de laagveengebieden van Noordwest-Overijssel, Utrecht en het zuiden van Noord-Holland. Kleinere kerngebieden bevinden zich bij Hengelo, de Biesbosch en Budel-Dorplein. Op veel oude vindplaatsen op de binnenlandse zandgronden is de soort thans verdwenen. De oorzaak van deze achteruitgang moet gezocht worden in het verdwijnen van mesotrofe vennen en plassen met goed ontwikkelde hoge oevervegetaties van riet en lisdodde. In de jaren ‘90 werd de soort voor het eerst in Flevoland gevonden. Er worden nog sporadisch exemplaren bij heidevennen gezien, bijvoorbeeld in Zuidwest-Drenthe, maar dit zijn waarschijnlijk zwervers uit De Weerribben/Wieden. Misschien plant de soort zich in lage dichtheid nog in enkele rijkbegroeide vennen voort. Jaarlijks worden kleine aantallen in de duinen aangetroffen, maar pas in 1998 werd in de Amsterdamse Waterleidingduinen met zekerheid voortplanting aangetoond (Dijkstra et al. 1999). Er is enige gelijkenis met A.grandis, waardoor soms verwarring kan optreden.

Bron

Auteur(s)

Groot, T. de

Publicatie