Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Venglazenmaker Aeshna juncea

Foto: Fred Hoorn

Indeling

Aeshnidae [familie]
Aeshna [genus] (8/7)
juncea [soort]

Biotoop

In Nederland komt de venglazenmaker vooral voor bij voedselarme tot matig voedselrijke vennen, hoogvenen en soms bij verlandende plassen. Voorkeur bestaat voor wat grotere vennen die niet of nauwelijks beschaduwd zijn, maar ze stelt geen strenge eisen aan de vegetatie en is ook te vinden bij vennen waarvan de oevers door pitrus (Juncuseffusus) overwoekerd zijn. In Duitsland (onder andere bij Bremen) worden jaarlijks vervellingshuidjes aangetroffen in krabbescheervelden (Stratiotesaloides) (pers. med. H. Klugkist), in Nederland ontbreken dergelijke waarnemingen. In Noord-Europa en de berggebieden van Midden-Europa is de venglazenmaker bij vrijwel alle typen stilstaand water te vinden – voedselrijke, voedselarme, zure en zwak basische (Maibach & Maier 1997). Alleen bij water met een kleiige of lemige ondergrond ontbreekt de soort (Peters 1987). Wildermuth (1992) vergeleek de eigenschappen van ongeveer 120 Zwitserse voortplantingswateren. In alle gevallen was de oeverbegroeiing goed ontwikkeld en lag er modder vermengd met detritus op de bodem. De wateren hadden uiteenlopende pH-waarden (met extremen van 3,3 en 9,3), maar waren meest zuur. Beneden de 1000 m bevolkte A.juncea alleen vennen en venen, daarboven was vrijwel ieder watertype geschikt. De bergbiotopen zijn overwegend zacht, zuur en voedselarm water, waarin ze lijken op de laaglandbiotopen. Mogelijk is het kleinere aantal bezette biotopen in het laagland te verklaren door concurrentie met de aldaar dominante A.cyanea.

Begeleidende soorten

De gebondenheid aan vennen blijkt duidelijk uit de begeleidende soorten, zoals Lestessponsa, Libellulaquadrimaculata en Sympetrumdanae. Ook Lestesdryas, Ceriagriontenellum, Coenagrionlunulatum, Leucorrhiniadubia en L.rubicunda komen vaak in dezelfde biotoop voor.

Bron

Auteur(s)

Abbingh, G.

Publicatie