Overslaan en naar de inhoud gaan

Venglazenmaker Aeshna juncea

Foto: Fred Hoorn

Indeling

Aeshnidae [familie]
Aeshna [genus] (8/7)
juncea [soort]

Eieren en larven

De eieren worden onder water afgezet in rottende delen van planten, meestal in stengels van zeggen (Carex sp.), biezen (Scirpus sp.) of russen (Juncus sp.), maar ook in veenmos (Sphagnum sp.), lisdodde (Typha sp.), gele lis (Irispseudacorus), kale turf en met mos bedekte wortels van elzen (Alnus glutinosa). Een enkele keer is eiafzet in de kale bodem waargenomen. De larven lijken open water te mijden en leven in ondiep water tussen water- en oeverplanten, plantenresten en modder. Godfrey & Thompson (1987) vonden vooral de larven van muggen, juffers en schietmotten in hun uitwerpselen. De larve is een efficiënte jager die zijn strategie aanpast aan de voedselbeschikbaarheid. Is deze hoog dan wacht hij stilzittend prooien op, anders gaat hij actief op zoek naar voedsel. Larvenhuidjes hangen meestal vlak boven het water op verticale stengels van oeverplanten zoals pitrus (Juncuseffusus), nooit op kaal veen. Maibach & Maier (1987) vonden ze bijna alleen bij verveende slenken en vrijwel nooit bij open water. (Askew 1988, Geijskes & Van Tol 1983, Johansson 1990, Schorr 1991, Wildermuth 1992a, 1993, Wildermuth & Knapp 1993)

Imago’s

De imago’s vliegen vooral in de middaguren. Jonge individuen vliegen langs zandwegen en bospaden, doorgaans in de buurt van boomkruinen. Geslachtsrijpe mannetjes vliegen op ongeveer een meter hoogte boven de voortplantingswateren, af en toe stil hangend. Ze volgen bij voorkeur de oevers van grotere wateren, boven kleine putjes schieten ze heen en weer en hangen regelmatig stil. Zo nu en dan duiken de patrouillerende mannetjes in de vegetatie op zoek naar de vrouwtjes die zich daar schuilhouden (Wildermuth 1993a). Wanneer een vrouwtje is ontdekt wordt zij overvallen en na een snelle koppeling vliegt het paar in tandem naar de top van een naburige boom. Hier vindt de paring plaats, die 60 tot 75 minuten kan duren (Corbet 1962). De vrouwtjes zetten de eieren solitair af, meestal verscholen tussen de vegetatie om zo aan de aandacht van mannetjes te ontkomen (Geijskes & Van Tol 1983).

Fenologie

De eieren overwinteren en komen in het voorjaar uit. In Midden-Europa duurt de levenscyclus twee jaar, in berggebieden en in Noord-Europa drie jaar of langer (Peters 1987). In sommige warmere delen van Midden-Europa lijkt de ontwikkeling van ei tot imago in één jaar voltooid te kunnen worden. Uitsluipen is waargenomen tot eind augustus met een kleine piek in juli. Met een hoofdvliegtijd die geheel in augustus valt is A.juncea een hoogzomersoort. Voortplantingsactiviteit is vooral waargenomen in augustus en september.

Verbreidingsvermogen

Betrouwbare waarnemingen van zwervende venglazenmakers zijn in Nederland uiterst schaars. De enige waarnemingen van na 1990 betreffen individuen in de Encigroeve bij Maastricht. Waarschijnlijk kan de soort binnen het gesloten verspreidingsgebied wel geschikte vennen koloniseren. Gezien het geringe aantal zwervers zal kolonisatie van geschikte gebieden daarbuiten lastig zijn.

Bron

Auteur(s)

Abbingh, G.

Publicatie