Overslaan en naar de inhoud gaan

Zadellibel Anax ephippiger

Foto: Ron Schippers

Indeling

Aeshnidae [familie]
Anax [genus] (3/1)
ephippiger [soort]

Eieren en larven

De eieren worden afgezet op allerlei substraten, meestal drijvende stengels van levende planten, maar ook op staande stengels, drijvend dood plantenmateriaal, droge of natte grond, hout en zelfs plastic zakken. De eieren kunnen enkele jaren van droogte overleven (Bernard & Musial 1995, Burbach & Winterholler 1997, Jaquemin & Boudot 1986).

De larven jagen met name op waterinsecten en kreeftachtigen, maar ook op elkaar (Dumont 1994). Als biologische bestrijder van muggenlarven in rijstvelden zou H.ephippiger goed dienst kunnen doen (Silsby 1993). Dankzij de snelle larvale ontwikkeling kunnen ze hun cyclus voltooien in wateren die uitdrogen. Uitsluipen gebeurt meestal ’s nachts op verticale structuren, vooral dikke stengels die boven de waterspiegel uitsteken. De huidjes worden meestal op 20-50 cm boven het wateroppervlak gevonden. Verse individuen verlaten het gebied vroeg in de ochtend. De kans op het aantreffen van jonge individuen is daardoor klein (De Marmels 1975, Laisler 1991, Vonwill & Wildermuth 1990).

Imago’s

Foerageren gebeurt vaak op open plekken in het bos of in dorpen en steden, waar ze beschut tegen de wind onvermoeibaar jacht maken op kleine vliegende insecten. Op plekken waar veel andere aeshniden zijn, is H.ephippiger vaak schaars of afwezig.

Volwassen mannetjes verzamelen zich al vroeg in de ochtend bij het water. Ze lijken alleen territoriaal bij lage dichtheden. De twee mannetjes die in 1996 in Meijendel werden gezien, gedroegen zich niet territoriaal. Patrouilleren gebeurt vooral bij begroeiing langs oevers, maar ook op een hoogte van 10 cm tot drie meter boven open water. Vrouwtjes arriveren later op de dag bij het water dan mannetjes. Mannetjes zoeken een vrouwtje in de oevervegetatie of grijpen haar in de vlucht en voeren haar mee naar hogere oeverbegroeiing of andere verticale structuren. Hier vindt zittend de paring plaats, waarna het stel gezamenlijk naar het water terugkeert voor het afzetten van de eieren. De eiafzet geschiedt in tandem, net als bij Anaxparthenope en Aeshnaaffinis. Bij het afzetten van de eieren verdwijnt het achterlijf van het vrouwtje soms geheel onder water, terwijl mannetje en vrouwtje samen achterwaarts lopen. Ze verkassen frequent, mogelijk om predatie door kikkers te voorkomen, al komt langdurige eiafzet op één plaats (30 minuten) ook voor. (Bernard & Musial 1995, Burbach 1995, Burbach & Winterholler 1997, Jacquemin & Boudot 1986, Mostert 1996)

Fenologie

Na tien dagen komen de eieren uit. Bij hoge watertemperatuur en een groot voedselaanbod duurt de ontwikkeling van de larven slechts 60-100 dagen. Aangezien de eieren vaak in een korte periode zijn afgezet en de larvenfase geen ruststadia kent, gebeurt het uitsluipen van een populatie vaak binnen het tijdsbestek van enkele dagen. Het volwassen stadium is vaak veel langer dan het larvale en duurt tot enkele maanden. Er zijn aanwijzingen dat zich in de winter een tweede generatie ontwikkelt. De lange levensduur en de mogelijke tweede generatie zorgen ervoor dat in Europa het hele jaar door zwervers aan te treffen zijn. In grote delen van Europa lijkt succesvolle voortplanting afhankelijk van zwervers die in het voorjaar (april tot juni) hun eieren afzetten. In warme zomers kunnen de larven zich volledig ontwikkelen. Overwintering op onze breedtegraad is vrijwel uitgesloten, aangezien de eieren geen ruststadium hebben en larven niet goed tegen kou bestand zijn. De noordgrens voor succesvolle overwintering ligt waarschijnlijk in zuidelijk Italië. (Bernard & Musial 1995, Dumont & Desmet 1990, pers. med. M. Pavesi, Vonwill & Wildermuth 1990)

Verbreidingsvermogen

De zadellibel heeft een uitstekend verbreidingsvermogen en is zeer zwerflustig. Meer hierover staat in het kader ‘De zadellibel: keizer onder de zwervers’ in hoofdstuk 4.

Bron

Auteur(s)

Edelaar, P.

Publicatie