Overslaan en naar de inhoud gaan

Blauwe breedscheenjuffer Platycnemis pennipes

Foto: Dick Belgers

Indeling

Platycnemis [genus] (1/1)
pennipes [soort]

Eieren en larven

De eieren worden afgezet op levende en afgestorven delen van vele soorten waterplanten en in het water liggende takken, met een voorkeur voor zachtere, levende, ondergedoken delen van bepaalde planten, zoals gele plomp (Nupharlutea). In stromend water bevinden de larven zich in de oeverzone tussen waterplanten. In stilstaand water leven ze in en op de bodem. In wateren met vis bewegen de larven zich minder en langzamer en verbergen ze zich meer dan in wateren zonder vis (Johnson 1991). Uitsluipen vindt bij voorkeur plaats op beschutte plaatsen in de oevervegetatie. Larvenhuidjes worden gevonden tot twee meter boven het wateroppervlak, zowel langs de waterkant als verder van het water af, meestal in lage dichtheden (maximaal vijf per meter). (Heidemann & Seidenbusch 1993, Martens 1996)

Imago’s

De imago’s jagen, overnachten en paren bij voorkeur in beschutte, grazige vegetatie, vaak ver van het water. De mannetjes bezetten geen territoria, maar zoeken actief naar vrouwtjes in de vegetatie. Wanneer twee mannetjes elkaar ontmoeten, strekken zij al vliegend hun verbrede schenen naar elkaar uit en wapperen er imponerend mee. Dit dreiggedrag duurt kort en loopt vrijwel nooit uit op een gevecht. Als een mannetje een vrouwtje tegenkomt wordt de paring niet afgedwongen, wellicht omdat mannetjes moeilijk grip krijgen op het halsschild van vrouwtjes. De kromming van het achterlijf signaleert de paringsbereidheid van een vrouwtje. Pas wanneer de eieren bevrucht zijn, vliegt het paar in tandem naar de waterkant. Soms zet het vrouwtje de eieren solitair af, maar meestal staat bij de eiafzet het mannetje loodrecht op het halsschild van het vrouwtje. Eiafzettende tandems trekken eiafzettende tandems aan, wat mogelijk het risico per tandem om ten prooi te vallen aan kikkers verkleint. Het vrouwtje verdwijnt bij de eiafzet soms geheel onder water. De blauwe breedscheenjuffer is goed herkenbaar op basis van uiterlijk en gedrag, maar door uitsluitend langs de waterkant te zoeken is de soort makkelijk te missen. Een groot deel van de imago’s zit namelijk in de vegetatie op enige afstand van het water. (Gorb 1992, Martens 1996)

Fenologie

De eieren beginnen hun ontwikkeling meteen na het afzetten. De ontwikkelingsduur is afhankelijk van de watertemperatuur: onder de 10˚C staat de ontwikkeling stil, bij 12˚C duurt de ontwikkeling 66 dagen, bij 27,5˚C maar 12 dagen. De meeste individuen overwinteren twee keer en sluipen vroeg in het seizoen (mei-juni) uit. Sommige larven sluipen uit in de eerste zomer nadat de eieren afgezet zijn, en voltooien de ontwikkeling in iets meer dan één jaar. Verse individuen in juli en augustus hebben waarschijnlijk een eenjarige levenscyclus. Net als in België en Duitsland bestrijkt de periode waarin de breedscheenjuffers uitsluipen een groot deel van de vliegtijd. De laatste verse breedscheenjuffer is in midden augustus gezien. De breedscheenjuffer is een voorzomersoort met een hoofdvliegtijd die duurt van midden juni tot eind juli. De eerste paring vindt 11 tot 25 dagen na het uitsluipen plaats (Martens 1992, 1996).

Verbreidingsvermogen

Vergeleken met andere juffers is P.pennipes een mobiele soort, die zich makkelijk verbreidt langs lijnvormige landschapselementen zoals kanalen (Martens 1996, Van Noordwijk 1978). Toch worden zelden zwervers buiten het bekende verspreidingsgebied waargenomen. Nieuwe plekken kunnen waarschijnlijk via stroomafwaarts gespoelde larven en eieren worden gekoloniseerd.

Bron

Auteur(s)

Dingemanse, N.

Publicatie