Overslaan en naar de inhoud gaan

Kempense heidelibel Sympetrum depressiusculum

Foto: Lex van Leur

Indeling

Libellulidae [familie]
Sympetrum [genus] (9/8)

Biotoop

In Noordwest-Europa plant deze soort zich voort bij stilstaande of langzaamstromende, niet te voedselrijke wateren met grote, ondiepe moerasgedeelten (Verbeek 1999). De vegetatie in de ondiepe moeraszone moet tamelijk open zijn, bijvoorbeeld met russen (Juncus sp.) of zeggen (Carex sp.) – gesloten rietvegetaties worden gemeden. Langs de oever moet een structuurrijke vegetatie staan, waar de imago’s zich kunnen ophouden. In de periode van augustus tot april, wanneer de eieren zich ontwikkelen, moet het waterpeil laag blijven – droogvallen mag ook. Door het lage waterpeil en de open vegetatie warmt het water snel op, waardoor het voedselaanbod toeneemt. In de meeste Noordwest-Europese wateren is het waterpeil van augustus tot april juist hoger dan in de rest van het jaar. Daarom is de kempense heidelibel in Nederland gebonden aan wateren waar kunstmatig een laag waterpeil in stand wordt gehouden, zoals vis(kweek)- of koelwatervijvers. In de Franse Camargue leven grote populaties in ’s winters droogvallende rijstvelden. Incidenteel plant de soort zich in andere biotopen voort. Aanwijzingen voor permanente populaties op dit soort plaatsen ontbreken echter (Rutten & Kalkman 1999). Duitse waarnemingen geven aan dat de soort weliswaar bij allerlei visvijvertypen voortplantingsactiviteit vertoont, maar dat de larven alleen volledig ontwikkelen op plaatsen die voldoen aan de biotoopeisen. Alleen uit de aanwezigheid van larvenhuidjes of verse imago’s mag het bestaan van een populatie geconcludeerd worden.

Begeleidende soorten

De Nederlandse gegevens zijn eigenlijk te gebrekkig om begeleidende soorten te benoemen. Soorten die ook een voorkeur hebben voor de specifieke biotoop van S.depressiusculum behoren tot de genera Lestes en Sympetrum.

Bron

Auteur(s)

Heeffer, J., Verbeek, P.

Publicatie