Overslaan en naar de inhoud gaan

Kempense heidelibel Sympetrum depressiusculum

Foto: Lex van Leur

Indeling

Libellulidae [familie]
Sympetrum [genus] (9/8)

Eieren en larven

De eieren ontwikkelen zich in vochtige, vegetatie-arme modder, vaak tussen zeggen, pitrus (Juncuseffusus) of riet (Phragmites australis), of op waterplanten die tot aan het wateroppervlak reiken. Dit zijn ook de plekken waar de larven leven. Uitsluipen gebeurt op 10-30 cm hoogte in de oevervegetatie (Heidemann & Seidenbusch 1993).

Imago’s

De imago’s verzamelen zich ‘s avonds in groepen op windbeschutte plaatsen in de vegetatie op 40-100 cm hoogte. Bij grote populaties, zoals in de Franse Camargue, zijn sommige ruigten ‘s avonds bezet door spectaculaire aantallen dieren (Anders & Grabow 1992, Ewers 1996). S.depressiusculum is één van de vroegst op de dag vliegende inheemse libellen. De dieren kunnen hun gemeenschappelijke slaapplaatsen al voor zonsopgang verlaten, bij een temperatuur van slechts 11˚C. Tussen 10.00 en 12.00 uur, wanneer veel andere soorten pas beginnen te vliegen, heeft de meeste voortplantingsactiviteit plaats. Op het heetst van de dag, tussen 13.00 en 15.00 uur, zijn ze juist nauwelijks actief (Bonisch 1994). Door het vroege vliegen heeft de soort nauwelijks last van concurrentie om zitplaatsen met andere soorten, waardoor hij waarschijnlijk een gebied kan delen met bijvoorbeeld S.danae (Michiels & Dhondt 1987).

In een huppende vlucht met gekromd achterlijf zoeken geslachtsrijpe mannetjes in de vegetatie naar vrouwtjes. Mogelijk als gevolg van het vroege tijdstip – wanneer veel soorten nog inactief zijn – worden opvallend vaak tandems gevormd met rustende vrouwtjes van andere soorten, vooral Sympetrum- en Gomphus-soorten. In de Camargue gebeurde dit vooral tussen 6.00 en 8.00 uur (Rehfeldt 1992). Eenmaal gevormde paringswielen strijken neer in de vegetatie. Op de voor heidelibellen typische ritmisch-dippende wijze worden de eieren afgezet in tandem, die bij verstoring verbroken wordt (Bonisch 1994).

Fenologie

De kempense heidelibel heeft een eenjarige levenscyclus. De eitjes overwinteren en komen omstreeks april uit. Onder normale omstandigheden duurt de ontwikkeling van de larven enkele maanden en sluipen de individuen in juli en augustus uit. Onder gunstige omstandigheden (hoge temperatuur en groot voedselaanbod) kunnen de larven zich in slechts vier tot zes weken ontwikkelen (Ewers 1996). Dit verklaart de waarneming van ruim 5000 verse individuen bij koelwatervijvers bij Lommel in België op 23 mei 1990 (pers. med. G. Jannis). Nederlandse waarnemingen van verse individuen zijn op 9 en 14 augustus gedaan (Rutten & Kalkman 1999). De kempense heidelibel is één van de laatst in het jaar vliegende soorten, van begin augustus tot begin oktober, met een grote piek eind augustus. Voortplantingsactiviteit is alleen eind augustus waargenomen.

Verbreidingsvermogen

Weinig individuen worden gezien buiten bekende populaties, wat op een beperkt verbreidingsvermogen kan duiden (Bonisch 1994). Er zijn echter Japanse meldingen van invasies vanuit Oost-Siberië. Alle Nederlandse waarnemingen, uitgezonderd enkele waarnemingen in westelijk Noord-Brabant en Reuver, zijn gedaan binnen een straal van twintig kilometer van de zeer grote Belgische populatie bij Lommel. Door de zeldzaamheid en de onbekendheid van veel waarnemers met deze soort zijn zwervers echter snel te missen.

Bron

Auteur(s)

Heeffer, J., Verbeek, P.

Publicatie