Overslaan en naar de inhoud gaan

Kempense heidelibel Sympetrum depressiusculum

Foto: Lex van Leur

Indeling

Libellulidae [familie]
Sympetrum [genus] (9/8)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieBasisrapport Rode Lijst Libellen 2011 volgens Nederlandse en IUCN-criteria
ExpertKalkman, V.J. (EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden)

 

Areaal

De kempense heidelibel heeft hoofdzakelijk een Aziatische verspreiding – in gematigd Azië bereikt hij de oostkust van Siberië en Japan. Het areaal heeft uitlopers naar Oost-, Zuid- en Midden-Europa. In Noordwest-Europa bereikt de soort de uiterste westgrens. Uit Noord-Afrika zijn slechts enkele vondsten uit het begin van de 20e eeuw bekend. In Europa ligt het verspreidingsgebied vooral in Centraal-Europa: van Oost-Frankrijk via de Alpen tot de Balkan – daarbuiten komt hij slechts lokaal voor. In Europa is hij overal schaars tot zeldzaam. In Scandinavië, Groot-Brittannië en het Iberisch Schiereiland is hij onbekend. In Frankrijk is slechts een twintigtal populaties bekend, voornamelijk in het zuidoosten; alleen in de Camargue is hij algemeen. In Duitsland ligt het zwaartepunt van de verspreiding in het zuiden. In Noordwest-Duitsland zijn slecht drie populaties bekend en komen de noordelijkste meldingen uit de omgeving van Hamburg (Altmüller 1980). De Belgische verspreiding is beperkt tot het oosten van de provincie Antwerpen en het noorden van Limburg. Dit is het brongebied van de Nederlandse waarnemingen. In Wallonië en Luxemburg is hij verdwenen.

Verspreiding in Nederland

Alle Nederlandse waarnemingen komen uit Noord-Brabant en Limburg, verreweg de meeste uit de omgeving van Valkenswaard en Eindhoven. Waarschijnlijk betreft dit voor een groot deel zwervers, afkomstig uit de grote populatie bij Lommel (België). Het voortplantingswater daar maakt deel uit van het grensoverschrijdend natuurgebied De Plateaux. De individuen die in 1928 in Reuver werden gevangen, kwamen mogelijk van toenmalige Duitse populaties. Bij het Grootmeer (Vessem) en in het Greveschutven (Valkenswaard) kwamen vroeger vermoedelijk populaties voor. In 1998 werd bij het Biesven (Leenderbos) voor het eerst voortplanting aangetoond, maar de biotoop maakt het onwaarschijnlijk dat het hier een vaste populatie betreft (Rutten & Kalkman 1999).

De kempense heidelibel is tamelijk lastig te herkennen, waardoor hij vaak over het hoofd zal worden gezien. Door een hogere waarnemersintensiteit, een betere bekendheid met de soort is het aantal waarnemingen in de 20e eeuw langzaam toegenomen. Of dit op een daadwerkelijke toename van de soort wijst, valt te betwijfelen. De specifieke bio-toopeisen maken dat hij in dit deel van het verspreidingsgebied zeldzaam is. De kweek van visbroed, waarbij men de vijvers ‘s winters laat droogvallen en in het vroege voorjaar langzaam laat vollopen, is in Duitsland in de afgelopen tientallen jaren sterk verminderd. Dit is een belangrijke oorzaak van de achteruitgang in Duitsland en ook het verdwijnen van de populatie bij Vessem is hiervan mogelijk een gevolg (Bonisch 1994, Ewers 1996, Schmidt B. 1993, Schmidt E. 1993, Verbeek 1999).

Bron

Auteur(s)

Heeffer, J., Verbeek, P.

Publicatie