Overslaan en naar de inhoud gaan

Bandheidelibel Sympetrum pedemontanum

Foto: Marianne Vos-Jaspers

Indeling

Libellulidae [familie]
Sympetrum [genus] (9/8)

Eieren en larven

De eieren worden afgezet tussen de planten in de oeverzone of in ondiepe, begroeide delen van het water. De larven leven tussen waterplanten. Larvenhuidjes zijn te vinden op stengels op enkele centimeters boven het water, of op de drooggevallen bodem (Dommanget 1987, Heidemann & Seidenbusch 1993, Tamm 1982).

Imago’s

Imago’s brengen hun rijpingsfase door op warme plekken met een rijk gestructureerde vegetatie. De mannetjes lijken eerder terug te komen bij het voortplantingswater dan de vrouwtjes. De soort kan in korte tijd massaal uitsluipen, waarna grote aantallen in de omgeving rondvliegen. Een dag later kunnen vrijwel alle individuen weer verdwenen zijn. Op het droge heideterrein de Steenbergen (bij Luykgestel) werden tientallen foeragerende bandheidelibellen waargenomen, waarvan 60-70% vrouwtjes. Hoewel deze libel markante kleuren en vleugelbanden heeft, is hij in het veld vrij onopvallend. In rust worden de vleugels sterk naar voren gehouden, waardoor de banden op de vleugels samenvallen met de groeirichting van de vegetatie. De soort vliegt met een vrij zwakke, fladderende vlucht vaak laag boven de grond en tussen de vegetatie, en is in vlucht moeilijk te volgen. Bandheidelibellen rusten veel en aanvals- en voedselvluchten worden minder vaak en minder agressief ingezet dan door andere Sympetrum-soorten. Ze zijn dan ook niet vaak betrokken bij conflicten. De mannetjes hebben geen territorium, maar wachten op vrouwtjes in de vegetatie rond de voortplantingswateren. De paring van enkele minuten gebeurt hangend in de vegetatie. De eiafzet begint in tandem, maar wordt na korte tijd door het vrouwtje alleen voortgezet.

De bandheidelibel is relatief klein, heeft een korte levenscyclus en is snel geslachtsrijp. Bij toenemende concurrentie (tussen larven) met andere soorten verdwijnt hij. Deze
eigenschappen zijn typisch voor pioniersoorten. (Bellmann 1993, Calle 1997, van Delft 1998, Michiels & Dhondt 1987, Tamm 1982)

Fenologie

De bandheidelibel heeft een eenjarige levenscyclus. De eieren overwinteren en komen ongeveer midden mei uit. De larven kunnen zich in twee maanden volledig ontwikkelen (Geijskes & Van Tol 1983). De eerste imago’s verschijnen in het algemeen eind juli, maar de vroegste waarneming is van 21 juni. Jonge individuen zijn tot midden september aangetroffen, de laatste dieren midden oktober. Met een hoofdvliegtijd van midden augustus tot begin september is het een typische nazomersoort. De weinige waarnemingen van voortplantingsactiviteit komen uit de periode eind juli tot midden september.

Verbreidingsvermogen

De waarnemingen van zwervers in Nederland laten zien dat de bandheidelibel grote afstanden kan afleggen, wat ook de snelle opmars vanuit Oost-Europa kan verklaren.

Bron

Auteur(s)

Delft, J.J.C.W. van, Lam, E.

Publicatie