Overslaan en naar de inhoud gaan

Bruine korenbout Libellula fulva

Foto: Kees Venneker

Indeling

Libellulidae [familie]
Libellula [genus] (3/3)
fulva [soort]

Eieren en larven

De eieren worden op de grens van oevervegetatie en open water afgezet, bij voorkeur op zonnige plekken (Höppner 1994). De larven leven verborgen in de modder. Ze sluipen uit in oeverplanten zoals riet, rietgras (Phalaris arundinacea)  en grote egelskop (Sparganium erectum) op 50-60 cm hoogte (Goodyear 1995).

Imago’s

Imago’s brengen de nacht door in hoge, kruidenrijke vegetatie in de directe omgeving van het water. Met name de mannetjes gebruiken de oevervegetatie als rustplaats en uitkijkpunt, daarbij plekken verkiezend met een vrij uitzicht. Soms zitten ze op de grond. Vanaf deze plekken vliegen de mannetjes langs de oever. Doorgaans verdedigen zij hun territorium fel, maar bij hoge dichtheid worden andere mannetjes in de nabijheid getolereerd (soms tot een meter van de eigen uitkijkplaats). De vrouwtjes verschijnen doorgaans pas in de middag bij het water. Na vorming van een wiel blijven de paartjes zitten op stevige, langbladige oeverplanten zoals riet en gele lis (Irispseudacorus), vaak op korte onderlinge afstand. De paring duurt enkele minuten tot ruim een kwartier. Dit wijkt af van de kortstondige paring in de vlucht van de twee andere Europese Libellula-soorten. Tijdens de paring krast het vrouwtje met haar poten een deel van de berijping van het achterlijf van het mannetje. Deze sporen zijn goed te zien bij oudere mannetjes. Onmiddellijk na de paring vliegen de libellen weg van het water. Het vrouwtje keert later zonder het mannetje terug om de eieren af te zetten, met ritmisch herhaalde dopende bewegingen aan het wateroppervlak. Merritt et al. (1996) beweren echter dat het mannetje het vrouwtje gewoonlijk wel bewaakt bij de eiafzet.

Fenologie

De eieren komen na bijna vijf tot zeven weken uit (Robert 1959). De levenscyclus duurt twee jaar (Geijskes & Van Tol 1983). Verse individuen zijn gevonden tot eind juni met een piek in eind mei. De hoofdvliegtijd van deze voorjaarsoort duurt van eind mei tot eind juni. Voortplantingsactiviteit vindt plaats van eind mei tot midden juli.

Verbreidingsvermogen

In tegenstelling tot verwante soorten lijkt het dispersievermogen beperkt. Er zijn in Nederland geen zekere waarnemingen van zwervers.

Bron

Auteur(s)

Ketelaar, R.

Publicatie