Overslaan en naar de inhoud gaan

Bruine korenbout Libellula fulva

Foto: Kees Venneker

Indeling

Libellulidae [familie]
Libellula [genus] (3/3)
fulva [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieBasisrapport Rode Lijst Libellen 2011 volgens Nederlandse en IUCN-criteria
ExpertKalkman, V.J. (EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden)

Trend

Trend gehele periode: Sterke toename
Trend laatste 10 jaar: Matige toename

Bron: Vlinderstichting, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

 

Areaal

De verspreiding loopt van West-Europa tot aan de Kaukasus en de Kaspische Zee. De nauw verwante soort L.pontica komt voor in het Midden-Oosten. Het voorkomen is overal lokaal. De Europese verspreiding strekt zich uit van het uiterste zuiden van Scandinavië tot de landen rond de Middellandse Zee. In Scandinavië is L.fulva zeldzaam. Van het Iberisch Schiereiland en de zuidelijke helft van Italië zijn nauwelijks meldingen (Dijkstra 1997). De Britse verspreiding beperkt zich tot enkele populaties in het zuiden. De soort is in heel Frankrijk te vinden en in Duitsland plaatselijk zelfs talrijk. In Schleswig-Holstein is hij echter vrij zeldzaam en sterk bedreigd (Brock et al. 1996), in het aan Nederland grenzende Niedersachsen is hij zeer zeldzaam. In België en Luxemburg is de soort zeer zeldzaam en met uitsterven bedreigd, hoewel hij vroeger algemeen was in delen van Vlaanderen. De voornaamste populaties bevinden zich in de Kempen aan de Nederlandse grens. In Wallonië is recent weer een populatie ontdekt (Titeux & Goffart 1994).

Verspreiding in Nederland

De bruine korenbout is tamelijk zeldzaam. Voor 1950 lagen de vindplaatsen verspreid over het hele land. In de jaren ‘70 was het voorkomen vrijwel beperkt tot de grote laagveengebieden, mogelijk als gevolg van de toenmalige slechte waterkwaliteit. De waterkwaliteit verbetert echter weer en recent lijkt de soort toe te nemen. In het Vechtplassengebied komt L.fulva alleen in de delen met de beste waterkwaliteit voor; waarschijnlijk is hij daar sinds ongeveer 1980 stabiel gebleven of iets vooruit gegaan.

De hoogste aantallen zijn tegenwoordig in het agrarische gebied te vinden, met name langs kanalen. In 1997 werden grote aantallen geteld langs het Overijsselsch Kanaal (ten zuiden van Raalte, tot 45 individuen per 100 m), het Apeldoornsch Kanaal en het Kanaal van Deurne. Daarnaast leven ook grote populaties in laagveengebieden in de kop van Overijssel en het Vechtplassengebied. Recent is hij ook aangetroffen in Heerenveen, Zuidoost-Drenthe, Twente, de Achterhoek, Gorinchem en oostelijk Noord-Brabant. Het is onduidelijk of we te maken hebben met een uitbreiding van het areaal of met kleine populaties die eerder over het hoofd zijn gezien. In 1998 is de soort ook vastgesteld in de Noordoostpolder nabij het Schokkerbos (niet op kaart) (Bonder 1998). Larvenhuidjes zijn onder meer gevonden langs de oever van een poel bij Kranekamp (Deventer) en in de oevervegetatie van het Kanaal van Deurne.

De aantallen kunnen van jaar tot jaar sterk wisselen, wat de interpretatie van de verspreidingsbeelden bemoeilijkt. Onervaren waarnemers kunnen L.fulva verwarren met Orthetrumcancellatum. Daarnaast kan de korte en vroege vliegtijd aan een onderbemonstering bijgedragen hebben, met name buiten de laagveengebieden.

Bron

Auteur(s)

Ketelaar, R.

Publicatie