Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Oostelijke witsnuitlibel Leucorrhinia albifrons

Foto: Tim Faasen

Indeling

Libellulidae [familie]
Leucorrhinia [genus] (5/5)
albifrons [soort]

Biotoop

Alle waarnemingen in Nederland zijn gedaan bij matig voedselarme wateren op de zandgronden – meestal vennen, soms tot plassen vergraven vennen. Voorbeelden zijn het Lonnekermeer bij Hengelo (Wasscher & Soesbergen 1993) en het Achterste Goorven bij Oisterwijk (Wasscher 1996). De geringe voedselrijkdom van het water komt meestal tot uiting in de tamelijk zeldzame water- en/of oeverplanten, zoals verlandingsvegetaties van veenmossen (Sphagnum sp.) (Thijsse 1927), kleinste egelskop (Sparganium natans), moerashertshooi (Hypericum elodes) en vlottende bies (Scirpus fluitans). Elders in West-Europa is L.albifrons een soort van venige, matig voedselarme bosplassen met drijvende waterplanten en een brede gordel van emerse vegetatie langs de oever. Anders dan wat vaak gedacht wordt, zijn drijfbladvegetaties geen voorwaarde voor het voorkomen van L.albifrons. Een verlandingszone met een begroeiing van onder andere zeggen (Carex sp.) is belangrijk voor de larven. De soort komt gemiddeld in zuurder en voedselarmer water voor dan
L.caudalis (Schorr 1990). In Zweden leeft hij met name op plaatsen waar niet alleen het water in optimale staat verkeert, maar waar ook het bos in de omgeving niet of nauwelijks is aangetast (pers. med. G. Sahlén).

 

Bron

Auteur(s)

Wasscher, M.

Publicatie