Overslaan en naar de inhoud gaan

Oostelijke witsnuitlibel Leucorrhinia albifrons

Foto: Tim Faasen

Indeling

Libellulidae [familie]
Leucorrhinia [genus] (5/5)
albifrons [soort]

Eieren en larven

De larven hebben een voorkeur voor de rand van drijvende veenmosvegetatie, waar een zone van zeggen overgaat in een vegetatie met drijvende bladeren. Ze zijn bijvoorbeeld gevonden in een oeverzone van een halve meter diep met vooral draadzegge (Carexlasiocarpa). In Finland hebben de vindplaatsen meestal een waterdiepte van 20 tot 100 cm. Het uitsluipen gebeurt op stengels in of vlak langs het water, op 20 tot 50 cm hoogte. Larvenhuidjes zijn ook gevonden op drijfhout. In Siberië sluipen de larven met velen op precies dezelfde plek langs de oever uit. Er zijn tot 20 larvenhuidjes bij elkaar gevonden. (Belyshev 1973, Heidemann & Seidenbusch 1993, Schorr 1990)

Imago’s

L.albifrons is de zeldzaamste Europese witsnuitlibel en zijn levenswijze is slecht bekend. Juveniele imago’s zijn te vinden langs paden en andere bosranden nabij het voortplantingswater. De geslachtsrijpe mannetjes worden langs de oever aangetroffen, zittend op uitstekende stengels en struiken, of boven het water op bladeren van bijvoorbeeld waterlelies (Nymphaea alba). Hierdoor zijn ze, ondanks het oplichten van hun berijpte achterlijf, moeilijk te ontdekken en is gericht zoeken met een verrekijker aan te bevelen. De mannetjes verdedigen kleine gebiedjes langs de oever met korte patrouilles vanaf een uitkijkplaats, op zoek naar een vrouwtje. Zij wordt gegrepen en meegevoerd naar een boom of struik in de omgeving, waar de paring plaatsvindt. Het vrouwtje keert terug bij het water en zet de eieren alleen af, liefst verborgen tussen 75 tot 150 cm hoge oeverbegroeiing (pers. med. G. Sahlén).

Fenologie

De levenscyclus komt waarschijnlijk overeen met die van andere witsnuitlibellen. De eieren komen enige weken na afzet uit en de larve overwintert in de regel tweemaal, misschien soms driemaal. De soort heeft dus meestal een tweejarige maar soms een driejarige levenscyclus. De vliegtijd valt in Zweden samen met die van L.caudalis en L.pectoralis en begint dus later dan die van L.dubia en L.rubicunda (pers. med. G. Sahlén). Het is een voorzomersoort die is waargenomen van 21 mei tot 10 juli. In Nederland zijn vrijwel geen waarnemingen bekend van verse individuen of van voortplantingsactiviteit (zie ook het waarnemingenkader).

Begeleidende soorten

Een soort die altijd samen met L.albifrons is waargenomen is Corduliaaenea. Verder vlogen op de Nederlandse vindplaatsen altijd één of meer van de vier andere witsnuitlibellen. Opmerkelijk is het voorkomen van L.caudalis op drie van de vijf plaatsen (Lieftinck 1929). De oostelijke witsnuitlibel wordt echter vaker bij zuur water gevonden. In Zweden worden de larven altijd gevonden tussen die van L.dubia en L.rubicunda (pers. med. G. Sahlén). Andere soorten die in het buitenland samen met L.albifrons zijn gezien, zijn Coenagrionhastulatum, Sympecmafusca en Lestesvirens (Schmidt 1981a, Wasscher 1996d).

Verbreidingsvermogen

Er zijn geen gegevens bekend over het zwerfvermogen van deze soort.

Bron

Auteur(s)

Wasscher, M.

Publicatie