Overslaan en naar de inhoud gaan

Oostelijke witsnuitlibel Leucorrhinia albifrons

Foto: Tim Faasen

Indeling

Libellulidae [familie]
Leucorrhinia [genus] (5/5)
albifrons [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieBasisrapport Rode Lijst Libellen 2011 volgens Nederlandse en IUCN-criteria
ExpertKalkman, V.J. (EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden)

 

Areaal

De oostelijke witsnuitlibel komt voor van Midden-Europa tot in Mongolië (90˚ oosterlengte) en zuidwaarts tot aan de Kaspische zee. In West-Europa komt hij sporadisch voor; het aantal vindplaatsen is klein, slechts zeer plaatselijk zijn grotere aantallen te zien. In Zwitserland, Frankrijk, grote delen van Duitsland en Noorwegen is de soort zeer zeldzaam en wordt ze als ‘sterk bedreigd’ beschouwd. In Denemarken is de soort verdwenen. De dichtstbijzijnde grote populaties liggen in de Duitse deelstaat Brandenburg, in de omgeving van Berlijn. Verder naar het noorden en oosten – in delen van Zweden, Finland, Polen en Rusland – is ze op meer plaatsen te vinden en plaatselijk talrijk. In België, Luxemburg en Groot-Brittannië is de soort nooit waargenomen. (Holmen & Pederson 1996, Schmidt 1981a, Schorr 1996).

Verspreiding in Nederland

De oostelijke witsnuitlibel is altijd zeer zeldzaam geweest in Nederland. M.A. Lieftinck ontdekte voor het eerst een mannetje tussen een serie van L.caudalis, verzameld op 10 juli 1927 bij de Oisterwijkse Vennen (Lieftinck 1929). Achteraf bleek Lieftinck daar al in april 1921 een larve te hebben verzameld. Larven zijn verder nog verzameld in het Lonnekermeer in 1961. Sindsdien is de soort ongeveer eenmaal per decennium waargenomen. In de buurt van Valkenswaard ligt de enige vindplaats waarvan grotere aantallen zijn gemeld, jonge individuen waren hier ‘talrijk aanwezig’ (Fortuin 1956). Dit berust mogelijk op een misverstand als gevolg van onduidelijkheid in de toenmalige determinatietabellen. Wel is van deze locatie een mannetje verzameld. De enige twee plaatsen waar de soort twee jaar achtereen werd gezien, zijn het Achterste Goorven en het bosven ‘Gibraltar’. Bij dit laatste ven werd in juni 1982 een mannetje gezien, en in juni 1983 een pas uitgeslopen mannetje. De laatste Nederlandse waarneming betreft een mannetje in 1994 bij Appelscha. Ondanks verschillende zoekacties werd de soort hier later niet meer aangetroffen. Twee waarnemingen gelden als onbetrouwbaar: van een imago in het Ballooërveld bij Assen (17 juli 1978) is geen bewijsmateriaal voorhanden, en van een in 1984 in het Groot Huisven (Kampina) verzamelde larve kan niet worden uitgesloten dat het L.pectoralis betreft (Verbeek et al. 1986, pers. med. R. Geene). Alle locaties waar de soort vroeger voorkwam zijn in de jaren negentig goed onderzocht. De oostelijke witsnuitlibel werd hierbij niet terug-gevonden en vermoedelijk is hij uit Nederland verdwenen.