Overslaan en naar de inhoud gaan

Sierlijke witsnuitlibel Leucorrhinia caudalis

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Libellulidae [familie]
Leucorrhinia [genus] (5/5)
caudalis [soort]

Eieren en larven

De eieren worden afgezet op het wateroppervlak, boven een dichte submerse vegetatie. De planten verhinderen dat de eieren in het donkere, zuurstofarme sediment zinken en bieden bescherming tegen predators. Larven zijn gevonden op ongeveer 50 cm diepte in vegetatierijke vijvers en inhammen van kleine meren. In Denemarken zijn overwinterende larven aangetroffen in gaten in turfwanden. In de laatste ontwikkelingsfase verblijven ze in de verlandingszone van het water. Uitsluipen gebeurt op een hoogte van 5 tot 60 cm op stengels van oeverplanten, die vaak ver van het water staan, waar de vegetatie minder dicht is (Dommanget 1987, Donath 1996, Mauersberger & Heinrich 1993, Schiel et al. 1997, Schorr 1990, Wesenberg-Lund 1913).

Imago’s

Imago’s jagen boven het water en rusten in de oevervegetatie, op overhangende takken of op drijvende waterplanten. Ze komen minder vaak in de buurt van de oever dan L.albifrons. De waargenomen dichtheden zijn altijd laag en vrouwtjes worden veel minder gezien dan mannetjes. Op enige afstand van de oever verdedigen mannetjes een territorium van twee tot vier meter breed, dat zij gedurende enkele dagen aanhouden. Vanaf hun uitkijkplaats vliegen ze een paar meter op 40 tot 80 cm hoogte, waarna ze terugkeren. Om een ander mannetje te verjagen, draaien ze soms spiraalsgewijs om de indringer heen. Ze vallen alleen libellen aan van ongeveer gelijke grootte; glazenmakers worden met rust gelaten. De paring duurt 5 tot 30 minuten en begint in de vlucht, maar eindigt op enige meters hoogte in de oevervegetatie. Meteen na de paring wordt de tandem verbroken. Over de afzet van de eieren bestaat onduidelijkheid. Volgens Pajunen (1964a) wordt het vrouwtje hierbij begeleid door het mannetje, terwijl Robert (1959) meldt dat het vrouwtje de eieren solitair afzet – waarschijnlijk komt beide voor. De eitjes worden met herhaalde dopende bewegingen in het water afgeslagen. (Devaux & Dommanget 1996, Mauersberger & Heinrich 1993, Pajunen 1964a, Schiel et al. 1997, Schiemenz 1953, Wesenberg-Lund 1913)

Fenologie

De eieren komen uit na ongeveer zes weken. De levenscyclus duurt twee jaar (Robert 1959). De sierlijke witsnuitlibel is een voorjaarssoort waarvan de eerste individuen in midden mei zijn waargenomen. In Duitsland vliegt hij vooral op warme mei- en junidagen (Mauersberger & Heinrich 1993). In Nederland zijn geen waarnemingen bekend van verse individuen of van voortplantingsactiviteit.

Begeleidende soorten

L.caudalis komt regelmatig samen voor met L.albifrons. Soorten waarmee L.caudalis in Duitsland en Frankrijk wordt aangetroffen zijn Aeshnagrandis, A.isoceles, Brachytronpratense, Corduliaaenea, Somatochlorametallica, Libellulafulva en Leucorrhiniapectoralis (Beutler 1990, Dommanget 1987, Donath 1996, Mauersberger & Heinrich 1993, Schiel et al. 1997, Schneider-Jacoby 1990).

Verbreidingsvermogen

Over het verbreidingsvermogen van L.caudalis is niets bekend. In het zuiden van Duitsland bestaan populaties op enkele kilometers afstand van vergelijkbare biotopen waar de soort niet voorkomt. Dit wijst erop dat de soort zich niet makkelijk verspreid (Schiel et al. 1997).