Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Gevlekte witsnuitlibel Leucorrhinia pectoralis

Foto: Kees Venneker

Indeling

Libellulidae [familie]
Leucorrhinia [genus] (5/5)
pectoralis [soort]

Eieren en larven

De eieren worden afgezet op het wateroppervlak. De vrouwtjes herkennen een mozaïek van vegetatie en reflecterende waterspiegel als een geschikte plek (Wildermuth 1993). De larven leven in ondiep water, met name in de verlandingszone waar moeras- en ondergedoken waterplanten een tamelijk dicht bladerdek vormen (De Groot 1995, 1997, Heidemann & Seidenbusch 1993). Dergelijke plekken zijn moeilijk doordringbaar, wat het risico van vispredatie voor de overdag jagende larven waarschijnlijk verkleint (Schorr 1996). Larvenhuidjes zijn bekend van krabbescheervelden , slenken in trilveen en (waarschijnlijk visloze) vennen. Uitsluipen gebeurt op enkele centimeters boven de waterspiegel, onder andere op riet en krabbescheer.

Imago’s

Pas uitgeslopen imago’s brengen de rijpingsperiode vermoedelijk ver van het water door. Bij een populatieonderzoek in Zwitserland werden slechts zeven van de 120 als juveniel gemerkte individuen bij het water teruggevonden (Wildermuth 1993b). Mannetjes bezetten een territorium van hooguit 50 m lang. Ze vliegen vaak niet langer dan enkele minuten achtereen, waarna ze een boven het water hangende stengel als uitkijkpost gebruiken. Slechts zelden gaan ze op open zand zitten. De paring gebeurt hangend in de vegetatie boven of nabij het water en duurt tussen de 15 en 25 minuten. Na de paring zet het vrouwtje soms onmiddellijk eitjes af, vergezeld door het mannetje. Soms verlaat ze echter het water om aan andere mannetjes te ontkomen en keert ze terug als de dichtheid van de mannetjes kleiner is, waarna ze solitair de eitjes afzet, onder dekking van de oevervegetatie, door met het achterlijf herhaaldelijk op het wateroppervlak te slaan (Kiauta 1964b).

Fenologie

Na enkele weken komen de eieren uit. De levenscyclus neemt waarschijnlijk twee jaar in beslag (Wildermuth 1993b). De weinige waarnemingen van verse individuen zijn gedaan rond eind mei, begin juni, maar het is waarschijnlijk dat het uitsluipen nog twee of drie weken doorgaat. De gevlekte witsnuitlibel is een echte voorjaarsoort met een hoofdvliegtijd van eind mei tot eind juni. De eerste individuen keren na negen dagen terug bij het water (Wildermuth 1993b). Voortplantingsactiviteit is (zelden) waargenomen tussen eind mei en midden juli.

Begeleidende soorten

De gevlekte witsnuitlibel vertoont zowel overlap met laagveensoorten (zoals Aeshnaisoceles en Brachytronpratense), als met vennensoorten (zoals Leucorrhiniadubia en L.rubicunda). De meest kenmerkende begeleider is een soort van beide biotopen, Corduliaaenea.

Verbreidingsvermogen

De verspreidingskaarten tonen dat in de drie onderscheiden perioden nauwelijks overlap te zien is. Van vrijwel geen vindplaats is een onafgebroken reeks waarnemingen bekend. Deels is dit een waarnemerseffect, omdat laagveengebieden vroeger zelden bezocht werden. Maar er is meer aan de hand. Bij jaarlijkse bezoeken aan voortplantingswateren (onder andere in de Groote Peel) bleek dat de soort ineens verdwenen kan zijn (Claessens 1988). De gevlekte witsnuitlibel lijkt zich tijdelijk ergens te vestigen. Dit is ook in Duitsland opgemerkt (Schmidt 1988). Mogelijk ligt de voorkeur voor water in een vroeg verlandingsstadium hieraan ten grondslag. Als het water in een volgend successiestadium komt, verdwijnt de soort weer. Als gevolg van goedontwikkeld zwerfgedrag lijkt de soort redelijk in staat zich op nieuwe plaatsen te vestigen.