Nederlands Soortenregister

Overzicht van de Nederlandse biodiversiteit

Gevlekte witsnuitlibel Leucorrhinia pectoralis

Foto: Kees Venneker

Indeling

Libellulidae [familie]
Leucorrhinia [genus] (5/5)
pectoralis [soort]

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieBasisrapport Rode Lijst Libellen 2011 volgens Nederlandse en IUCN-criteria
ExpertKalkman, V.J. (EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden)

Trend

Trend gehele periode: Sterke toename
Trend laatste 10 jaar: Sterke toename

Bron: Vlinderstichting, CBS (via Netwerk Ecologische Monitoring)

 

Areaal

Het areaal reikt van West-Europa tot Siberië en Mongolië in het oosten. Van alle Leucorrhinia-soorten komt L.pectoralis het zuidelijkst voor. De zuidelijkste Europese vindplaatsen liggen in Turkije, de Balkan en het noorden van Italië. De noordelijkste liggen in Zuid-Scandinavië. In West- en Midden-Europa komt L.pectoralis slechts plaatselijk en bijna overal in lage aantallen voor. In Frankrijk vliegt de soort voornamelijk in de centrale en (noord)oostelijk delen, maar is er zeldzaam (Schorr 1996). Op de Britse eilanden ontbreekt de soort. In Denemarken is de soort op minder dan 20 plaatsen waargenomen, slechts op één is voortplanting vastgesteld (Pedersen & Holmen 1994). In Duitsland komt L.pectoralis vooral in de noordelijke laagvlakte en Schleswig-Holstein (schaars) voor en is in de rest van het land zeldzaam (Schorr 1990, Wildermuth 1991a). Uit België leek de soort te zijn verdwenen, maar in 2000 en 2001 werden op diverse plaatsen in Vlaanderen weer gevlekte witsnuitlibellen gezien (De Knijf 2001). De dichtstbijzijnde vindplaatsen met hoge dichtheden liggen in de Vogezen, Oost-Duitsland en aan de voet van de Alpen (noordkant) in Zwitserland (Beutler 1985).

Verspreiding in Nederland

De gevlekte witsnuitlibel komt op verschillende plaatsen verspreid over Nederland voor, maar de belangrijkste populaties leven in het noordwesten van Overijssel en de Vechtplassen. Zo komen in De Wieden en De Weerribben lokaal dichtheden voor van 20-30 individuen per 100 m (De Groot 1996a, pers. med. K. Mostert). In het Vechtplassengebied komt de soort alleen voor in Het Hol, een natuurreservaat in de Kortenhoefsche Plassen, en is de dichtheid altijd laag (maximaal vier per 100 m). In het Naardermeer en de Ankeveense Plassen zijn respectievelijk sinds 1925 en 1943 geen gevlekte witsnuitlibellen meer gezien. Bij mesotrofe vennen op de hoge zandgronden vliegt de soort de laatste jaren voornamelijk in lage aantallen. De enige uitzondering is het Lonnekermeer, waar meestal tientallen exemplaren worden gezien. Bij enkele mesotrofe vennen in Drenthe, Gelderland en Noord-Brabant leven nog enkele andere kleine populaties op de zandgronden.

Tot in de jaren ‘60 kwam de gevlekte witsnuitlibel voor in de duinen. In 1963 werden nog 50 imago’s gezien bij het Quackjeswater op Voorne (Kiauta 1964). De melding van een mannetje uit de duinen op Terschelling in 1981 (Schmahl 1987) kon niet gecontroleerd worden. Verrassend genoeg werd in 1998 en 1999 enkele malen een mannetje waargenomen in de duinen bij Castricum en Bergen (Dijkstra et al. 1999) (niet op kaart). In 2000 werden hier op één dag acht mannetjes en een tandem gezien en werd duidelijk dat er een populaties aanwezig is (pers. med. A. Wijker). In dat jaar werden ook elders in de duinen enkele individuen gezien (Manger 2000, Wijker 2001).

Hoewel uitgekleurde mannetjes goed te herkennen zijn, zijn vrouwtjes en jonge mannetjes makkelijk te verwarren met L.dubia en L.rubicunda. In combinatie met de lage dichtheden waarin de soort voorkomt kan dit er toe hebben geleid dat kleine populaties over het hoofd zijn gezien.

Bron

Auteur(s)

Groot, T. de

Publicatie