Overslaan en naar de inhoud gaan

Zwervende pantserjuffer Lestes barbarus

Foto: Wijnand van Buuren

Indeling

Lestidae [familie]
Lestes [genus]
barbarus [soort]

Eieren en larven

De eieren worden vaak afgezet op (tijdelijk) droogstaande water- en oeverplanten, soms zelfs op geheel drooggevallen plaatsen. Voor de eiafzet worden vele plantensoorten gebruikt, maar de voorkeur gaat uit naar smalbladige, middelhoge oeverplanten als russen (Juncus sp.), waterbiezen (Eleo-charis sp.) en zeggen (Carex sp.). Ook op droogteminnende planten als zandzegge (Carexarenaria) worden soms eieren afgezet (Jödicke 1997, Wasscher 1996). De larven leven tussen water- en oeverplanten in ondiep water. Door de geringe diepte warmt het water snel op, wat gunstig is voor de groei van de larven. De larven zijn goed bestand tegen tijdelijke uitdroging. Zo vond Lempert (1996) in juli uitsluipende individuen bij een poel die al in juni opgedroogd was. Ondanks de hoge dichtheden die in uitdrogende habitats kunnen optreden, is kannibalisme zeldzaam (Carchini & Nicolai 1984). Larvenhuidjes worden op 5 tot 30 cm hoogte in oeverplanten gevonden (Heidemann & Seidenbusch 1993).

Imago’s

De zwervende pantserjuffer heeft een tamelijk lange rijpingstijd. Gedurende deze periode jagen de imago’s in de omgeving op vliegende prooien, zoals vliegen en haften tot een grootte van 12 mm (Loibl 1958). Vermoedelijk gaan veel van de jonge dieren zwerven, op zoek naar nieuwe, vaak verafgelegen, voortplantingsbiotopen. De soort is in een aantal Italiaanse populaties opvallend plaatstrouw (Jödicke 1997). Het grootste deel van bij het uitsluipen gemerkte imago’s keerde terug naar het geboortewater en werden nauwelijks elders aangetroffen.

Het voortplantingsgedrag lijkt op dat van andere pantserjuffers. De meeste tandems worden waarschijnlijk niet in de directe nabijheid van het water gevormd. De paring duurt enkele minuten tot een half uur. Bij de eiafzet is het vrouwtje alleen of in tandem met het mannetje (Jödicke 1997).

Fenologie

De eieren komen vroeg in het voorjaar uit, maar het grootste deel van de ontwikkeling van het ei vindt plaats voor de winter. De larve ontwikkelt zich snel en sluipt nog in de zomer van hetzelfde jaar uit. De soort heeft een relatief lange uitsluipperiode die duurt van eind mei tot eind augustus met een zwakke piek in midden juni. De rijpingstijd kan in Zuid-Europa wel drie maanden duren maar is in het noorden korter, vermoedelijk een week of zes (Jödicke 1997). L.barbarus is een hoogzomersoort met een hoofdvliegtijd van begin tot eind augustus. Voortplantingsactiviteit is waargenomen in de periode tussen midden juli en eind augustus met de piek in de eerste helft van augustus. De vliegtijd is in invasiejaren sterk afhankelijk van het moment van aankomst van de zwervers. Tijdens de invasie van 1994 was dit eind juli. In gunstige jaren, met name na enkele warme zomers op rij, kunnen zwervers zich hier ook voortplanten.

Verbreidingsvermogen

De soort staat bekend om zijn zwerflust. De imago’s kunnen waarschijnlijk in groepen trekken. Zo werden op de Hondsbossche Zeewering bij Petten (Noord-Holland) groepjes vliegende individuen gezien. Waarschijnlijk houdt het optreden van invasies van L.barbarus in Nederland en Duitsland verband met klimatologische omstandigheden. Met name in warme zomers kunnen zwervers ons land bereiken, vermoedelijk vanuit het zuiden van Europa. Vaak duikt de soort op op plaatsen waar hij in voorgaande jaren niet is waargenomen.

 

Bron

Auteur(s)

Ketelaar, R.

Publicatie