Overslaan en naar de inhoud gaan

Houtpantserjuffer Chalcolestes viridis

Foto: Jan Kersten

Indeling

Lestidae [familie]
Chalcolestes [genus] (1/1)
viridis [soort]

Eieren en larven

De eitjes worden in of onder de schors van takken afgezet. Dit is meestal éénjarig hout of hout van hetzelfde voorjaar. Vrijwel alle loofboomsoorten zijn geschikt, mits ze in de buurt van water staan. Eiafzet was tot nu toe van 37 soorten bomen en struiken bekend (Jödicke 1997). Het kader geeft een overzicht van de 49 soorten waarop tijdens het atlasproject tussen 1990 en 1997 in Nederland eisporen gevonden zijn. Incidenteel worden eitjes in verhoute delen van kruiden afgezet, zoals harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum). Zelfs in het harsachtige milieu van de grove den blijken eitjes te kunnen overleven (Martens 1997). De takken moeten boven het water of er vlakbij hangen en kunnen enkele decimeters tot meters hoog zitten. Eieren worden zowel in horizontale als verticale takken afgezet. De voorkeur lijkt uit te gaan naar bomen en struiken op beschutte plaatsen met een zuidwest-expositie.

Het hout reageert met een lichte galvorming, waardoor een rij bobbeltjes zichtbaar wordt. De eieren overwinteren in de takken en kunnen daar temperaturen van -32˚C overleven (Münchberg 1933). In het voorjaar kruipt de prolarve door het leggat naar buiten en laat zich vallen in het water of op de grond. Als ze op de grond terecht komen proberen ze met huppende bewegingen het water te bereiken. De prolarve is waterafstotend, waardoor voorkomen wordt dat hij in dauwdruppels gevangen raakt. In het water vervelt de prolarve meteen, waarna de volgende negen larvale stadia doorlopen worden (Geijskes 1928).

De larven zijn tussen water- en oeverplanten te vinden, en tussen detritus op de bodem. Dit laatste komt bij de andere pantserjuffers niet voor. Waarschijnlijk overleven houtpantserjuffers kortstondig droogvallen van de habitat. Ze leven van kleine kreeftachtigen en muggenlarven. Het uitsluipen gebeurt op ongeveer 20 cm hoogte op verticale structuren, meestal moerasplanten of boven water uitstekende waterplanten als krabbescheer (Stratiotes aloides) en gele plomp (Nuphar lutea). Het is de enige pantserjuffer waarvan uitsluipen bekend is op oevers of brugpeilers (De Groot 1995, 1997, Havel et al. 1993, Heidemann & Seidenbusch 1993, Jödicke 1997, Krekels et al. 1986, Robert 1959, Rudolph 1979).

Imago’s

De jonge imago’s verlaten het water en verblijven bij bosjes of ruige vegetaties tot op enkele honderden meters van het water. Hier jagen ze op vliegen, muggen, haften en bladluizen (Jödicke 1997). De geslachtsrijpe dieren rusten en jagen in dezelfde biotoop. Voornamelijk aan het begin van de middag zijn ze langs het water te vinden, eerder en later verblijven ze op hun rust- en foerageerplaatsen. Mannetjes zitten doorgaans dichter bij het water dan vrouwtjes (Dreyer 1978).

De mannetjes bezetten aan het begin van de middag een zo hoog mogelijke tak van een struik of boom, op de vliegroute van de vrouwtjes naar het voortplantingswater. In slootrijke gebieden met veel houtwallen en bosjes is de scheiding van foerageer- en eiafzetgebieden minder duidelijk. Soms zijn de takken van een struik van hoog tot laag bezet met mannetjes. Wanneer een mannetje een vrouwtje ziet naderen vliegt hij op en grijpt haar in de vlucht. Ze landen en paren gedurende 5 tot 30 minuten in de vegetatie (Jödicke 1997). Het mannetje begeleidt het vrouwtje in tandem naar geschikte eiafzetplekken langs het water. Hij kiest steeds een tak die door het vrouwtje met haar legapparaat gekeurd wordt. Als het substraat wordt afgekeurd, brengt het mannetje haar naar een andere tak. Indien goedgekeurd, maakt ze een snede in de bast en zet hierin aan beide kanten twee eieren af. Na elk cluster van vier eieren verzet ze haar legboor, doet een stapje naar beneden en zet de volgende vier af. Zo zet ze hele ketens af. Soms zijn bepaalde struiken of bomen zo gewild dat tientallen vrouwtjes tegelijk bezig zijn met het afzetten van eitjes. Dichte ‘belegging’ van takken kan zelfs groeistoringen aan bomen veroorzaken, waardoor in de fruitteelt soms schade ontstaat (Houtman 1951).

Fenologie

De houtpantserjuffer heeft net als andere pantserjuffers een eenjarige levenscyclus. Het grootste deel van de ontwikkeling van het ei vindt plaats voor de winter. De eieren komen rond april uit. Het larvenstadium beslaat tweeënhalf tot drie maanden (Geijskes & Van Tol 1983, Schorr 1990). Het uitsluipen begint eind juni en gaat door tot begin oktober met een piek in begin augustus. De vrouwtjes verschijnen eerder dan de mannetjes. De rijpingsperiode duurt vijf tot zes weken (Geijskes 1928, Jödicke 1997). De houtpantserjuffer is een nazomersoort met de hoofdvliegtijd van begin augustus tot begin september. Voortplantingsactiviteit is vooral in augustus, september en oktober waargenomen.

Verbreidingsvermogen

Nederlandse waarnemingen van zwervende houtpantserjuffers zijn schaars. Dat de soort wel in staat is om enkele tientallen kilometers te zwerven is bewezen door vangsten op Rottumerplaat, Rottumeroog en het Duitse eiland Mellum, waar zoet water ontbreekt. Ondanks het kleine aantal waarnemingen van zwervers kan de soort op lokale schaal waarschijnlijk goed nieuwe gebieden koloniseren.

Bron

Auteur(s)

Veling, K., Hoeffnagel, W., Berkel, A. van

Publicatie