Overslaan en naar de inhoud gaan

Beekrombout Gomphus vulgatissimus

Foto: Rob Smeenk

Indeling

Gomphidae [familie]
Gomphus [genus] (2/2)

Eieren en larven

De eieren worden op het wateroppervlak afgestreken, waarna ze zinken. De larven leven ingegraven in de bodem, zowel tussen (oever)plantenwortels als in kale bodems. Ze leven meestal in de oeverzone, en mijden bodems met grofkorrelig zand (Clausnitzer 1992, Heidemann & Seidenbusch 1993, Kern 1992, Suhling & Müller 1996). Het gedrag van de larven is ingesteld op het samenleven met vissen: overdag zijn ze passief en ingegraven in de bodem, ’s nachts komen ze uit hun schuilplaats en lopen ze over de bodem op zoek naar prooidieren (Müller 1993b). Het uitsluipen gebeurt meestal hangend in de oevervegetatie. Zonder oevervegetatie kan de larve lange afstanden (3 tot 20 m) over land afleggen op zoek naar een geschikte plek om uit te sluipen, waarbij ook boomstronken in aanmerking komen. De meeste larven sluipen gedurende een zeer korte periode van een paar dagen uit (Kemp & Vick 1983, Corbet 1962).

Imago’s

Pas uitgeslopen beekrombouten vallen soms in groten getale ten prooi aan vogels zoals spreeuwen, kauwen, eksters, vinken en merels, die in deze periode jongen hebben (Both 1993, Goodyear 1994). Na het uitsluipen vliegen de meeste jonge individuen hoog de bomen in, een klein gedeelte blijft echter nog enige tijd in de omgeving van het water – uiteindelijk verspreiden de juveniele dieren zich in de wijde omgeving. Ze jagen langs bosranden en houtwallen tot ze geslachtsrijp zijn. In het Buurserzand werden subadulte dieren op bijna twee kilometer afstand van de Buurserbeek aangetroffen. De rijpingsfase duurt in Nederland ongeveer twee weken (Ketelaar, 1998, Ketelaar & Van der Wal 1998). Na verloop van tijd keren de mannetjes terug bij het water. Ze zijn niet uitgesproken territoriaal en vliegen actief en snel boven de beek, regelmatig rustend in de oevervegetatie. De paring vindt zowel langs de beek als in de directe omgeving plaats en kan enkele minuten tot meer dan een uur duren. De eieren worden door het vrouwtje alleen afgezet. Ze pakt de eieren samen tot een klont aan het achterlijf. Door een slaande beweging op het wateroppervlak te maken strooit ze de eieren uit (Kern 1992, Suhling & Müller 1996).

Fenologie

De larven komen twee tot acht weken na de leg uit het ei. De levenscyclus duurt meestal drie en in sommige gevallen twee of vier jaar. Het uitsluipen begint vroeg in het jaar en gebeurt min of meer gelijktijdig. Verse individuen zijn aangetroffen van eind april tot eind mei, met de piek in midden mei. De hoofdvliegtijd is, zoals bij veel voorjaarsoorten, kort en duurt vanaf eind mei tot begin juni. De weinige waarnemingen van voortplantingsactiviteit komen uit de periode midden mei tot begin juni (Corbet 1962, Van Delft & Goudsmits 1999, Kern 1992, Ketelaar & Van der Wal 1999, Robert 1959, Suhling & Müller 1996).

Verbreidingsvermogen

De beekrombout is niet erg zwerflustig en wordt zelden op meer dan enkele kilometers van geschikte biotoop gezien. Tijdens de uithardingsfase verspreiden de jonge individuen zich in de omgeving van de uitsluipplaats en waarschijnlijk vinden dan ook verplaatsingen langs de beek plaats. Ook de larven van deze soort kunnen zich vermoedelijk verspreiden – mogelijk worden ze door de stroom meegesleurd, bijvoorbeeld bij hoge waterstanden (Kurstjens & De Veld 1995). In Brabant zijn aanwijzingen gevonden dat larven uit de Keersop de Dommel zijn ingestroomd en daar zijn uitgeslopen (Van Delft & Goudsmits 1999). De larve gedraagt zich zeer passief, waardoor de stroming makkelijk grip op haar krijgt (Suhling & Müller 1996). In grote rivieren kunnen zo mogelijk tientallen kilometers worden afgelegd, in beken is deze afstand waarschijnlijk geringer. Opmerkelijk is de waarneming van een imago op het strand bij Noordwijk (Dijkstra et al. 1999). Deze zwerver bevond zich op meer dan 100 km afstand van de dichtstbijzijnde populatie.

Bron

Auteur(s)

Kurstjens, G., Ketelaar, R.

Publicatie