Overslaan en naar de inhoud gaan

Beekrombout Gomphus vulgatissimus

Foto: Rob Smeenk

Indeling

Gomphidae [familie]
Gomphus [genus] (2/2)

Voorkomen

StatusOorspronkelijk. Minimaal 10 jaar achtereen voortplanting. (1a)
Habitatland zoet
ReferentieBasisrapport Rode Lijst Libellen 2011 volgens Nederlandse en IUCN-criteria
ExpertKalkman, V.J. (EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden)

 

Areaal

Het verspreidingsgebied strekt zich uit van West-Europa tot de Oeral. De noordgrens ligt rond de 65e breedtegraad, de zuidgrens rond de 40e. In Europa komt de soort noordelijk voor tot halverwege Scandinavië en zuidelijk tot halverwege Italië en Griekenland. Uit het noorden van Spanje zijn enkele meldingen bekend. G.vulgatissimus is in Europa de wijdst verspreide rombout. In West-Europa is de soort minder algemeen dan in het oosten. G.vulgatissimus is in Groot-Brittannië beperkt tot enkele rivieren in het zuiden. In Frankrijk is de soort niet zeldzaam. Na een flinke teruggang gedurende de laatste decennia heeft de beekrombout zich in het oosten van Duitsland de laatste jaren weer weten uit te breiden. Toch geldt de soort in Duitsland nog als bedreigd. In Vlaanderen zijn slechts twee populaties in de provincie Antwerpen en enkele waarnemingen langs de Grensmaas bekend, en wordt de soort als bedreigd gezien. Daarnaast is de soort in België vastgesteld langs enkele rivieren in de Ardennen. In Luxemburg komt hij alleen in het stroomgebied van de Sauer voor.

Verspreiding in Nederland

Tot 1930 kwam G.vulgatissimus nog langs een groot aantal beken en rivieren in Oost- en Zuid-Nederland voor. Lieftinck (1926b) noemt de soort ‘niet zeldzaam en op sommige plaatsen zelfs gewoon’. Na 1930 waren alleen nog populaties aanwezig langs de Aa bij Berlicum (laatste waarneming in 1931), de Maas (tot 1949), de Tongelreep (tot 1976) en de Dommel (tot 1982). De enige populatie die gedurende de hele 20e eeuw stand heeft gehouden is die in de Beerze bij Boxtel, waar ook in de jaren ‘80 nog redelijke aantallen zijn gezien. Sinds de jaren ‘90 gaat G.vulgatissimus weer vooruit. In 1994 worden na 45 jaar weer beekrombouten langs de Maas in Limburg gezien (Kurstjens & De Veld 1995, Kurstjens et al. 1996) en in datzelfde jaar wordt de soort na 69 jaar weer in Oost-Nederland waargenomen, langs de Buurserbeek (Ketelaar & Van der Wal 1995). Na 1994 verliep de opmars zeer snel (zie ook extra kaart). In Noord-Brabant werd voortplanting aangetoond langs de Dommel en de Keersop (Van Delft & Goudsmits 1999), in Limburg langs de Niers en de Roer en in Oost-Nederland langs de Buurserbeek, de Dinkel, de Berkel (Ketelaar & Van der Wal 1999), de Slinge en de Overijsselsche Vecht (Hospers & Hospers 1999). In 1998 werden enkele larvehuidjes gevonden langs de Waal bij Nijmegen. Imago’s werden daar niet gezien (Kleukers & Reemer 1998). In 2000 werden enkele pas uitgeslopen individuen gevonden langs de Nieuwe Merwede (pers. med. J. van der Neut & D. Groenendijk). Waarschijnlijk leeft de soort thans langs de gehele Waal.

De recente toename kan worden verklaard door de verbeterde waterkwaliteit in de Nederlandse beken en rivieren, en misschien door de natuurontwikkelingsmaatregelen. In hoeverre de warmere zomers van de afgelopen jaren een rol hebben gespeeld is onduidelijk. De beekrombout is eenvoudig te herkennen. Vanwege de vroege, zeer korte vliegtijd en het voorkomen in zeer lage dichtheden kunnen po-pulaties echter over het hoofd zijn gezien.

Bron

Auteur(s)

Kurstjens, G., Ketelaar, R.

Publicatie